Spring naar inhoud

De bode die niet kon schrijven: het verhaal van Houben Buijsers

Het leven van Hubertus Buijsers begon in het Reutje, in de roerige nazomer van 1752. Hij werd geboren in een boerengemeenschap waar het leven hard was en de dood nooit ver weg. Nog voordat hij zijn eerste verjaardag vierde, verloor de kleine Houben zijn vader, Wilhelmus. Zijn moeder, Maria Beckers, bleef achter met een zuigeling in een huis aan het begin van de straat – wat we nu kennen als de Sint Petrusstraat.

Om te overleven, deed Maria wat noodzakelijk was: ze hertrouwde. De jonge Houben groeide op onder de hoede van zijn stiefvader, Nijs Stoks. Het was een eenvoudig bestaan van keuterboeren, waar handenarbeid meer waard was dan boekenwijsheid. Houben leerde het land bewerken, maar de letters van het alfabet bleven voor hem vreemde tekens.

De vergeten bruid
In de winter van 1773, Houben was pas twintig jaar oud, had hij zijn hart verpand aan Agnes Cuijpers. Omdat hij volgens de wet nog minderjarig was (men was pas meerderjarig bij 25), kon hij niet zomaar trouwen. Hij had de officiële toestemming nodig van zijn moeder en stiefvader Nijs.

Op Valentijnsdag, 14 februari, stonden ze in de kerk van Vlodrop. Het was een zenuwachtige aangelegenheid, en zelfs de pastoor leek van slag. Terwijl hij de akte opmaakte en schreef: "Hubertus Buijsers… met toestemming van de ouders…", realiseerde de geestelijke zich plotseling dat hij in zijn haast de naam van de bruid vergeten was! Met een krassende pen werd 'Agnes Cuijpers' er alsnog tussen gepriegeld. Het was een rommelig begin van een huwelijk dat desondanks lang zou standhouden.

Het jonge paar vestigde zich aanvankelijk in Posterholt, waar hun gezin gestaag groeide. Vijf kinderen werden daar geboren, maar het bestaan als dagloner was zwaar en onzeker.

Een onwaarschijnlijke promotie
Het keerpunt in Houbens leven kwam in april 1781. In Sint Odiliënberg kwam de positie vrij van gerichtsbode en veldschut. Het was een functie met aanzien: de bode was het gezicht van het gezag, degene die aanzeggingen deed en de orde in het veld bewaakte.

Normaal gesproken vereiste zo'n functie dat men kon lezen en schrijven om de gerechtelijke stukken te begrijpen. Maar Houben was analfabeet. Toch kreeg hij de baan. Waarom? De archieven zijn er eerlijk en nuchter over: "Men kon geen ander voor deze functie vinden."

Misschien was het zijn postuur, zijn betrouwbaarheid, of simpelweg het feit dat niemand anders wilde. Hoe dan ook, de ongeletterde boerenzoon uit het Reutje werd de officiële dienaar van de wet. Hij verhuisde met Agnes en de kinderen van Posterholt naar het Bodehuis, gelegen aan de rand van het dorp Sint Odiliënberg.

Bode in roerige tijden
Jarenlang liep Houben door weer en wind om de berichten van de schepenbank rond te brengen. Hij moet een fenomenaal geheugen hebben gehad om de mondelinge boodschappen correct over te brengen, aangezien hij de brieven die hij droeg zelf niet kon ontcijferen.

Hij zag de tijden veranderen. De Oostenrijkers verdwenen, de Fransen kwamen. De oude schepenbank werd vervangen door nieuw bestuur. Maar Houben bleef. De Franse ambtenaren, met hun drang naar administratie, handhaafden hem. De boerenzoon die niet kon schrijven, werd in de officiële stukken nu deftig aangeduid als messager. Hij overleefde regimes en politieke stormen door simpelweg zijn plicht te doen.

De laatste rustplaats in Ool
De jaren eisten hun tol. Agnes overleed, en Houben werd oud. Na een leven van dienstbaarheid en het grootbrengen van zeven kinderen, verliet hij uiteindelijk het bodehuis.

In de zomer van 1814 vinden we hem terug in Ool, onder de rook van Herten. Hij woonde daar in bij zijn oudste dochter Maria en haar man. Het huis was levendig; zijn buren waren de herbergiers Gerard Wolfhagen en Joseph Davin. Wellicht dat de oude bode daar, in de gelagkamer van de buren, nog sterke verhalen vertelde over zijn tijd als veldschut, over stropers die hij had betrapt en over de deftige heren van het gerecht die hij had gediend.

Op 27 juli 1814, om tien uur 's avonds, blies Hubertus Buijsers zijn laatste adem uit in het huis van Henry Peys. Hij stierf zoals hij geboren was: zonder rijkdom of grond, maar met een levensverhaal dat de statistieken van zijn tijd trotseerde. De jongen die niet kon schrijven, had toch zijn stempel op de geschiedenis van Sint Odiliënberg gedrukt.

Over de veldschut

Een veldschut (ook wel schut, veldwachter of in de Franse tijd garde champêtre genoemd) was in vroegere tijden een beëdigd functionaris die door het dorpsbestuur of de schepenbank was aangesteld om toezicht te houden op de landerijen in het buitengebied.

Je kunt hem zien als een soort plattelandspolitieagent, maar dan specifiek gericht op de landbouw en de openbare orde in de velden.

Hier zijn de belangrijkste taken die bij deze functie hoorden, en hoe dit paste bij Hubertus.

1. Taken van de veldschut

De veldschut moest de "have en goed" van de boeren beschermen. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit:

  • Toezicht op vee: Zorgen dat loslopend vee (koeien, schapen, geiten) geen schade aanrichtte aan de gewassen van anderen. Als vee ontsnapte of op verboden terrein graasde, moest de veldschut de dieren vangen en naar een 'schutskooi' brengen. De eigenaar moest dan een boete (schutgeld) betalen om ze terug te krijgen.
  • Diefstal voorkomen: Opletten dat er geen hout werd gestolen uit de bossen (illegale houtkap of sprokkelen waar het niet mocht) en dat er geen gewassen van het veld werden gestolen (velddiefstal).
  • Grensbewaking: Controleren of boeren niet stiekem hun akkers vergrootten door grensstenen te verleggen of een stukje van de gemeenschappelijke grond (de "gemene gronden") in te pikken.
  • Jachtopziener: Opletten op stropers.

2. Combinatie met 'Gerichtsbode'

In het verhaal van Jan Ruiten wordt Hubertus benoemd tot "gerichtsbode en veldschut". Dit was een logische combinatie in kleine dorpen:

  • Als gerichtsbode moest hij aanzeggingen doen, dagvaardingen rondbrengen en berichten van het gerecht aan de inwoners doorgeven.
  • Omdat hij voor die functie toch al de hele dag door het dorp en de buitengebieden moest lopen, kon hij dit perfect combineren met de controlerende taak van de veldschut.

3. Waarom kon een analfabeet dit doen?

Het detail dat Hubertus niet kon lezen of schrijven ("niet kon lezen noch schrijven"), lijkt vreemd voor een overheidsdienaar, maar was voor een veldschut minder problematisch:

  • Het was vooral een fysieke en mondelinge taak. Hij moest gezag uitstralen, mensen aanspreken op hun gedrag en dieren vangen.
  • Voor het onthouden van boetes of overtredingen gebruikten veldschutters vroeger vaak een kerfstok of hun geheugen, totdat ze verslag konden uitbrengen aan de griffier of secretaris van de schepenbank, die het dan voor hen op papier zette.
  • Dat "men geen ander kon vinden", zoals Ruiten schrijft, suggereert dat het geen geliefde baan was: het betaalde vaak slecht en je maakte je niet populair bij je dorpsgenoten als je hen boetes moest opleggen.

Kortom: Hubertus was de "oren en ogen" van het gerecht in het veld en de handhaver van de orde in het agrarische leven van Sint Odiliënberg.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *