Je kan hier het militair dossier van Philippus vinden.
Dit is het verhaal van jullie (over)grootvader, Philippus Everts. Een man die in de volksmond beter bekend stond als "Lips van de Boy". Zijn leven overspande een van de meest turbulente periodes uit de wereldgeschiedenis, maar hij bleef altijd herinnerd als een rechtvaardige familieman met een enorm groot hart.
Wortels in de bossen van Neeroeteren
Philippus werd geboren op 4 maart 1884 in het rustige Limburgse dorp Neeroeteren. Hij was de zoon van Joannes Everts en Maria Elisabeth Vliegen. Zijn vader Joannes was staatsboswachter, een respectabel en plichtsgetrouw beroep in die tijd. Philippus groeide op in een groot gezin. Voor zijn geboorte hadden zijn ouders al een aantal kinderen verloren, wat in de late negentiende eeuw helaas geen uitzondering was. Hij deelde zijn jeugd met zijn zussen Maria Aldegondis, Maria Josepha, en zijn broers Petrus Henricus, Jacobus Leonardus en Joannes Henricus.
Als jongeman was Philippus een slimme student; zo stond hij bekend als erg goed in wiskunde en ging hij te voet van Neeroeteren naar Maaseik om bij de Kruisheren naar school te gaan. Toen hij rond zijn twintigste medisch werd gekeurd voor het leger, zagen de artsen een jonge man van 1 meter en 61 centimeter lang, met kastanjebruin haar en regelmatige gelaatstrekken.
In dienst van het land en de liefde
In het begin van de twintigste eeuw diende je je land via het lotelingensysteem. Philippus werd op 15 juli 1904 ingelijfd bij het 14de Linieregiment van het Belgische leger. Zijn militaire dienst bestond uit periodes in de kazerne, afgewisseld met "onbepaald verlof" waarbij hij weer naar huis mocht. Zijn gedrag was onberispelijk; zijn strafregister bleef volledig blanco.
In het dagelijkse leven vond Philippus werk als douanier (tolbeambte). Het was een baan die hem langs verschillende grensdorpen zou voeren, zoals Hamont, Lommel en Stokkem. Maar zijn belangrijkste stap zette hij op 8 juli 1911. Op die dag trouwde de toen 27-jarige douanier in Maaseik met Maria Agnes "Jes" Trips, een 29-jarige kleermaakster. Het gezin werd al snel verblijd met de geboorte van hun eerste kinderen: Maria in 1911 in Hamont en Alda in 1913 in Lommel. Het leven leek rustig en veelbelovend.
De vuurdoop: de Grote Oorlog en krijgsgevangenschap
Aan die rust kwam een bruut einde in de zomer van 1914. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd Philippus op 1 augustus onmiddellijk opgeroepen bij zijn oude eenheid, het 14de Linieregiment. Het Belgische leger moest de strategisch cruciale stad Luik verdedigen tegen de oprukkende Duitse overmacht.
Slechts enkele dagen na de mobilisatie, op 5 en 6 augustus, vocht Philippus in bittere en zware gevechten op het plateau 247 bij de "Cense Rouge" (Rode Hoeve) in Sart-Tilman. Zijn voormalige adjudant, Louis de Suray, zou jaren later schriftelijk getuigen over de "dapperheid" (bravoure) die Philippus die dag toonde. Ze vochten tot hun positie onhoudbaar was. Philippus werd samen met de overlevenden van zijn compagnie door de Duitsers krijgsgevangen genomen.
Er volgden donkere jaren. Philippus werd als krijgsgevangene op de trein naar Duitsland gezet en belandde in Munsterlager in Westfalen. Later werd hij overgebracht naar het kamp in Soltau. Het kampleven eiste een zware tol; in het voorjaar van 1915 werd hij opgenomen in het lazaret (hospitaal) met een zware keelontsteking (angina). Vanuit dat hospitaal stuurde hij in maart 1915 nog een bemoedigende postkaart naar zijn "Vrouw en Moeder" in Maaseik met de geruststellende woorden "...alles gaat nog goe...".
In het familiearchief Everts-Leyen zit een zeldzame foto van Philippus in gevangenschap. Hij draagt daarop een donkere jas en stevige rijlaarzen en rookt een sigaar. Historisch gezien wijst dit erop dat hij, net als veel lotgenoten in de buurt van Soltau (de Lüneburger Heide), geluk had en werd tewerkgesteld op een Duitse boerderij. Dit "Arbeitskommando" betekende dat hij waarschijnlijk met de boer meeat, wat hem hielp om de zware oorlogsjaren en de blokkade-hongersnood fysiek te overleven. Uiteindelijk zou hij pas in januari 1919, ruim vier jaar nadat hij vertrok, worden gerepatrieerd.

Een vreemde vader en een nieuw begin
Toen Philippus na maar liefst 42 tot 49 maanden gevangenschap eindelijk thuiskwam, kenden zijn oudste kinderen hem niet of nauwelijks meer. De fysieke en mentale littekens waren diep. Het slechte voedsel in de kampen had gezorgd voor een chronische maagaandoening (gastritis), waarvoor hij in 1933 officieel als oorlogsinvalide (met een invaliditeit die opliep tot 40%) werd erkend en een levenslang pensioen ontving. Voor zijn moed ontving hij later het felbegeerde Oorlogskruis, een officiële frontstreep, en de Strijderskaart.

Maar Philippus en Maria Agnes pakten de draad weer op. Het gezin verhuisde naar het Kuikenstraatje in Stokkem, waar ze nog vier kinderen kregen: Leon, Catharina (die helaas als baby overleed), Albert en Joanna Maria Theresia, beter bekend als "Hathi". Later verhuisde het gezin naar Maaseik, waar Philippus als bediende bij de Belastingdienst werkte.





De weldoener van de trein
Het karakter van jullie grootvader bleek in vredestijd uit de herinneringen van zijn jongste dochter Hathi. Philippus was een man die van delen hield. Als gewestelijk propagandist en voorzitter van de Bond van de Kroostrijke Gezinnen zette hij zich in voor grote families. Wanneer Hathi speelgoed te veel had, zoals een mooie speelgoedwinkel, moest ze dat van hem wegbrengen naar gezinnen die het minder breed hadden.
Een prachtig detail uit zijn leven typeert zijn behulpzaamheid: wanneer Philippus de trein nam om zijn studerende kinderen Leon of Alda te bezoeken, ging hij met opzet in een coupé zitten met veel kinderen. Hij vroeg de ouders dan of ze al kinderbijslag ontvingen. Was dat niet het geval? Dan nodigde hij hen thuis uit in de Bleumerstraat om dat papierwerk kosteloos voor hen in orde te maken.

De laatste jaren
Hoewel hij de oorlog overleefde, werd hij later zwaar getroffen toen hij weduwnaar werd. Toch omschreven zijn kinderen hem als iemand die "als een schipper naast God" recht in zijn geloof stond en blijmoedig bleef, ondanks de schaduw van droefenis door het verlies van zijn vrouw. Hij weigerde kwaad te spreken over anderen en kende een "rijpe, maar stille wijsheid, die veel zwijgen kon".
Zijn oude dag sleet Philippus in de warmte van zijn familie. Hij woonde nog bij zijn zonen Albert in Maaseik en Leon in Bree, waarna hij zijn allerlaatste periode in een rusthuis in Eisden doorbracht. Philippus Everts blies op 16 juni 1962 in Maaseik zijn laatste adem uit. Hij overleed als een geliefde man, gerespecteerd door de staat om zijn opofferingen, maar vooral intens gekoesterd door de kinderen voor wie hij na die donkere oorlogsjaren was teruggekeerd.