De geschiedenis van Heinrich Douven en Geertruda Haazen in de Peel (1911-1959)
De geschiedenis van Heinrich Douven en Geertruda Haazen is niet slechts een opsomming van geboorten en overlijdens in een vergeeld register. Het is het verhaal van een verbeten strijd om het bestaan in de Peelregio, tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog en de grote ontginningen. Het is een kroniek van de overgang van de traditionele boerensamenleving naar het harde bestaan van de veenarbeider, en uiteindelijk naar de moderne fabrieksarbeid.
De droom van de landbouwer (1911-1914)
Toen Heinrich Douven, geboren in het Duitse Grefrath, op 9 november 1911 in Asten in het huwelijk trad met de Astense Geertruda Haazen, leek de toekomst open te liggen. Heinrich was een man die vooruit wilde. In de eerste akten die van zijn hand verschenen, noemde hij zichzelf met trots landbouwer. Het was de ambitie van elke jongeman in die tijd: een eigen stukje grond, een paar stuks vee, en onafhankelijkheid.
Het jonge gezin vestigde zich in Asten, waar tussen 1912 en 1914 in rap tempo de eerste drie kinderen werden geboren: Karel, Johanna Catharina en Gerardus Martinus. Het waren relatief rustige jaren. Maar in de zomer van 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Nederland bleef neutraal, maar de grenzen gingen dicht en de import van steenkool uit Engeland en Duitsland stokte. Brandstof werd schaars en duur. De blik van ondernemend Nederland richtte zich op de Peel: het "zwarte goud" – turf – werd plotseling van levensbelang voor de industrie en de huishoudens.
De trek naar het veen (1915-1918)
De enorme vraag naar turf zorgde voor een migratiestroom. Waar armoede heerste, bood de Peel werk. Waarschijnlijk gedreven door economische noodzaak of de hoop op hogere inkomsten, verliet het gezin Douven rond 1915 hun vertrouwde Asten. Ze trokken naar Nederweert, naar de buurtschap Mospel.
In de geboorteakte van hun zoon Martinus Hubertus, op 10 augustus 1915, noemt Heinrich zich nog steeds landbouwer. Ze woonden aan de rand van het woeste hoogveen, waar hij waarschijnlijk probeerde een pachtbedrijfje te combineren met het ontginningswerk. Maar de Peel was onbarmhartig. Het werk was zwaar, de dagen lang en de hygiënische omstandigheden in de afgelegen buurtschappen waren vaak erbarmelijk.
De omslag kwam in 1916. Het gezin was verhuisd naar de Nieuwstraat in Nederweert, dichter bij de kern, maar de sociale status van Heinrich veranderde op papier. Bij de aangifte van zijn dochter Engelina Hendrina in december 1916 stond er niet langer 'landbouwer' onder de akte, maar veenarbeider. De droom van de boerderij had plaatsgemaakt voor de realiteit van de turfsteker: in het voorjaar turven steken, in de zomer drogen en opzetten. Het was seizoenswerk, betaald per stuk, waarbij elke hand – ook die van vrouwen en oudere kinderen – nodig was.

De jaren van rouw
Het leven in de veenkoloniën eiste een hoge tol. De hygiëne liet te wensen over en infectieziekten lagen altijd op de loer voor jonge kinderen. De periode in Nederweert werd voor Heinrich en Geertruda getekend door een onvoorstelbaar verdriet.
In juni 1916 sloeg het noodlot toe. Hun zoontje Martinus Hubertus overleed, slechts tien maanden oud. De zomer was heet en besmettelijke ziekten waarden rond in de arbeiderswijken. Amper een half jaar later, in de strenge oorlogswinter van 1916, werd Engelina Hendrina geboren. Zij was een "kind van de rekening"; zwak en kwetsbaar. Ze overleefde de winter, maar stierf in het voorjaar, op 30 april 1917, slechts vier maanden oud.
De chaos en de stress van die jaren werden zichtbaar in de administratie van 1918. Toen er op 3 februari in Nederweert opnieuw een zoon werd geboren, schreef de ambtenaar hem in als 'Gerardus Martinus'. Heinrich, wellicht overmand door de zorgen of de routine, merkte niet op dat zijn oudste zoon (uit 1914) al zo heette. Pas later zou de naam in de boeken van Asten met rode inkt worden gecorrigeerd naar 'Gerardus Hubertus'.
Het feit dat dit kindje – de kleine Gerardus Hubertus – later in geen enkel register meer opduikt bij het gezin en ontbreekt bij de volkstellingen van 1920, doet vermoeden dat ook hij het slachtoffer is geworden van de hoge kindersterfte, mogelijk versterkt door de Spaanse Griep die in 1918-1919 door de regio raasde.
De terugkeer en de desillusie (1919-1922)
Op 17 mei 1919 laadde Heinrich zijn bezittingen op een kar. De oorlog was voorbij, de vraag naar turf begon te dalen nu de steenkool weer op gang kwam. Het gezin keerde de Peelrug toe en ging terug naar Asten.
Het lijkt erop dat Heinrich bij terugkomst in Asten een laatste poging deed om zijn oude status te herwinnen. Bij de geboorte van zoon Petrus Johannes in december 1919, in Wijk D, gaf hij vol trots weer op: landbouwer. Het was een poging om de identiteit van 'veenarbeider' van zich af te schudden.
Maar het noodlot en de economische realiteit waren sterker. Het gezin kende geen rust. In 1920 verbleven ze korte tijd in Heeze – een ongebruikelijke stap die kan duiden op woningnood of een tijdelijke werkopdracht elders. Toen ze zich in 1921 definitief vestigden in Wijk L in Asten, moest Heinrich toegeven aan de werkelijkheid. Op de geboorteakte van zijn jongste dochter, Catharina Maria (april 1921), en bij haar overlijden nog geen jaar later (februari 1922), stond het er weer onverbiddelijk: veenarbeider.
Naar een nieuwe tijd
De jaren '20 en '30 brachten langzaam verandering. De grootschalige vervening liep op zijn eind; het landschap veranderde van woeste grond in landbouwgrond en de industrie in Brabant begon aan een opmars. Heinrich, wiens lichaam getekend moet zijn geweest door het zware handwerk in het veen en op de akkers, vond uiteindelijk werk buiten de landbouw.
In 1940, toen zijn zoon Gerardus Martinus trouwde, werd Heinrich geregistreerd als fabriekarbeider. De schop was ingeruild voor de machine. Het gezin had de zware jaren overleefd, maar niet zonder littekens. Bij datzelfde huwelijk in 1940 kon moeder Geertruda haar wil niet meer verklaren wegens krankzinnigheid. Was het de opstapeling van verdriet om de vier verloren kinderen? Was het de hardheid van het bestaan in de plaggenhutten en arbeiderswoningen?
Het verhaal van Heinrich en Geertruda is exemplarisch voor een hele generatie in de Peel. Ze begonnen met de hoop van de boer, werden vermalen in de molen van de veenindustrie, begroeven hun kinderen in de zanderige grond van Nederweert en Asten, maar hielden stand om hun overgebleven kinderen een toekomst te bieden in de moderne tijd. Hun geschiedenis staat niet in de geschiedenisboeken, maar staat gegrift in de aktes van de Burgerlijke Stand: landbouwer, veenarbeider, landbouwer, veenarbeider, fabriekarbeider. Een leven van hard werken in drie woorden.