Spring naar inhoud

Klompenmaker en slager in alle vroegte naar de Schout

Sint-Odiliënberg, 13 februari 1823

Het is acht uur in de ochtend als het stil wordt in het huis. Buiten hangt waarschijnlijk de nevel die zo typerend is voor de Roerstreek in februari, koud en vochtig. Binnen, in de bedstede, heeft Joannes Evers zijn laatste adem uitgeblazen. Achtenzeventig jaar oud. Een gezegende leeftijd voor een man die zijn hele leven als akkerbouwer met zijn handen in de Limburgse klei heeft gewroet.

Mathias Evers staat erbij. Hij is zelf geen boer geworden zoals zijn vader, maar klompenmaker. Zijn handen zijn gewend aan het bewerken van populierenhout, maar nu staan ze even stil. Hij is nu het hoofd van de familie. Zijn moeder, Catharina Bergh, is al jaren dood. Nu is zijn vader haar gevolgd.

Er is geen tijd om lang te treuren. De wet van de nieuwe tijd – de Burgerlijke Stand, een erfenis van de Fransen die ze maar hebben gehouden – eist dat de overheid direct op de hoogte wordt gesteld. Mathias trekt zijn jas aan. Hij loopt naar de buren, of misschien was de buurman er al bij. Joannes Boonen, de slager. Een stevige kerel om naast je te hebben op zo'n moment.

Samen lopen ze door het dorp naar het huis van de Schout, Joannes Antonius van den Bergh. Het is negen uur. Slechts één uur na het overlijden. De mannen hebben zich gehaast.

Binnen bij de Schout is het warmer. De Schout pakt een groot boek, Het Register van Overlijden voor het jaar 1823. Hij doopt zijn ganzeveer in de inkt. Hij kijkt de mannen aan. "Wie is er overleden?" vraagt de Schout. "Mijn vader, Joannes Evers," antwoordt Mathias. "Beroep?" "Ackerman." De pen krast over het papier. De Schout noteert de details: het uur, de leeftijd, dat hij weduwnaar was. Dan vraagt de Schout naar de ouders van de overledene. Dat moet immers in de akte. "Vader was Mathias Evers," zegt Mathias. Dat weet hij nog wel, hij is immers naar zijn grootvader vernoemd. "En de moeder?" vraagt de Schout. "De vrouw van Mathias senior?"

Het wordt stil in de kamer. Mathias denkt na. Zijn grootmoeder... die is al zo lang dood. Hij heeft haar waarschijnlijk nooit goed gekend, of de naam is hem in de emotie van de ochtend ontschoten. Was het Gertrudis? Maria? Hij kijkt de slager aan, maar die weet het natuurlijk ook niet. "Ik... ik weet het niet, Heer Schout," moet Mathias bekennen.

De Schout zucht wellicht even, maar knikt dan. Hij laat de ruimte op het papier open. "...Zoon van Mathias en ... [leeg] ..." schrijft hij op. Het is niet anders.

Dan draait de Schout het grote boek om. "Teken hier maar," zegt hij. Mathias kijkt naar de letters. Hij ziet zijn vaders naam, zijn eigen naam, maar voor hem zijn het slechts krullen en strepen. Hij kan hout lezen, hij kan de kwaliteit van een boomstam beoordelen, maar hij kan niet schrijven. Ook de slager schudt zijn hoofd. De Schout neemt de pen terug en schrijft de slotzin die in zoveel aktes staat: "...en hebben de Comparanten na gedane Voorlezing Verklaard niet te kunnen Schrijven."

Mathias en de slager knikken. Het is gedaan. Joannes Evers is niet meer van de kerk of van de familie, hij is nu een gesloten hoofdstuk in het archief van de gemeente. Ze stappen weer naar buiten, de kou in. Terug naar het huis waar een vader begraven moet worden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *