Het was het voorjaar van 1745 en de lucht boven de Roer was nog guur, maar op de voorhof van Kasteel Frymerson (Frimersom) in Sint Odiliënberg brandde het vuur in de haard. Matthias Everts, door iedereen in het dorp 'Thijs' genoemd, zat aan tafel en wreef over zijn voorhoofd. Hij was inmiddels vijftig jaar oud, een leeftijd waarop veel mannen al aan hun rust begonnen te denken, maar voor Thijs leek het echte werk pas te beginnen.
Het was een tijd van rouw en verandering. Zijn broer, Henricus Everts, was overleden. Henricus was niet zomaar een broer geweest; hij was schepen in het gericht van Sint Odiliënberg. Daarmee had hij de familietraditie hooggehouden, want ook hun vader, ‘Oude Jan’ Everts, had jarenlang op het pluche van de schepenbank gezeten. Nu de stoel van Henricus leeg was, keken de ogen van het dorp en de drossaard naar Thijs.
Een zware erfenis
Thijs keek naar zijn vrouw, Gertrudis Willems. Ze zag er vermoeid uit. Nog maar net, in maart, had ze het leven geschonken aan hun jongste zoon, Joannes. Een nakomertje, geboren in een huis dat al vol leven was met opgroeiende kinderen als Wilhelmus, Arnoldus en de meisjes. Maar het huis had ook verdriet gekend; de tweeling Petrus en Joannes, en de kleine Catharina… het kindersterftecijfer was genadeloos in de achttiende eeuw.
"Ze willen dat ik mij verkiesbaar stel, Gertrudis," moet Thijs gezegd hebben.
Hij wist dat hij niet de rijkste kandidaat was. Hij woonde weliswaar op de statige voorhof van Frimersom, maar hij was pachter, geen landheer. In de registers stond het zwart op wit: hij was "alleen geërfd in roerend goed". Hij bezat geen grond, alleen zijn vee, zijn gereedschap en zijn inboedel.
De nominatie
De dag van de nominatie, 21 april 1745, was spannend. De landscholtis en de zittende schepenen moesten namen aandragen bij de drossaard om de vacatures van zijn broer en die van Hendrick Corsten op te vullen. De concurrentie was niet mals. Er was Teunis Cuijpers, die wél eigen grond bezat (30 morgen), en mannen als Maes Sillen en Adam Sijben.
Er werd gefluisterd over de kwaliteiten van de kandidaten. Was iemand 'geleerd'? Was iemand 'geërfd'?
Toen de naam van Thijs Everts viel, noteerde de klerk: "Geboortig van Bergh, oud 46 jaar [sic], woonde op de voorhof van het Huis Frimersom… Hij kon lezen en wat schrijven."
Dat laatste – wat schrijven – was cruciaal. Thijs was geen geleerde, zijn handschrift was misschien wat hoekig en van een boerenhand, maar het was genoeg. Het feit dat zijn stiefmoeder, Gertrudis Heuskens, en zijn vader zo diep geworteld waren in het bestuurlijke leven van Berg, woog zwaar mee. Adamus Cloudt, de man die ooit getuige was bij zijn huwelijk in 1724 en collega van zijn vader was, zat nog steeds in de bank. Oude connecties roesten niet.
De drossaard hakte de knoop door. In mei 1745 werden Teunis Cuijpers en Thijs Everts officieel aangesteld. De zoon van Jan en de broer van Henricus nam zijn plaats in. De cirkel was rond.
Rechter en bestuurder
Vanaf die dag veranderde het leven van Thijs. Hij was niet meer alleen de pachter van Frimersom die zich zorgen maakte over de oogst. Hij was nu Schepen Matthias Everts. Hij oordeelde over geschillen, over grondtransacties en over de kleine criminaliteit in het dorp.
Hij bleek een man met een eigen mening. Jaren later, in 1753, toen er weer een nieuwe schepen gekozen moest worden na de dood van Christoffel Tegels, liet Matthias van zich horen. Terwijl de andere schepenen hun eigen favorieten naar voren schoven – de koster of familieleden – nomineerde Matthias resoluut Joes Hendrix. Hij was niet bang om tegen de stroom in te gaan als hij dacht dat dat rechtvaardig was.
Het einde van een tijdperk
Matthias zou het ambt bijna dertig jaar bekleden. Hij zag zijn kinderen opgroeien en uitvliegen. Zijn zoon Wilhelmus en de jongste Joannes zouden de naam Everts voortzetten in het dorp. Hij bleef in functie tot het allerlaatste moment.
Op 12 april 1773, op de eerbiedwaardige leeftijd van 78 jaar, blies Matthias Everts zijn laatste adem uit. Het overlijdensregister van Sint Odiliënberg maakte er speciaal melding van: hij stierf als Schepen.
Hij liet geen grote landerijen na, geen kastelen. Maar hij liet wel een verhaal na van een man die, ondanks dat hij "slechts" pachter was en maar "wat kon schrijven", door zijn gemeenschap werd vertrouwd om recht te spreken. Hij was de schakel tussen het oude geslacht Everts en de nieuwe generatie, stevig verankerd in de klei van Sint Odiliënberg.