Spring naar inhoud

Akte van 7 apri 1747 – Schepenbank Sint Odiliënberg

Transcriptie

is gehoort en geslooten de gemeents
=Reekeninghe anni 1746. waer bij
den Collecteur B: Thomassen aen
dese gemeente schuldigh is geble=
=ven seshondert drij en twintigh
guldens en thien den: brabts
eodem sijn uijtgeleth voor voort:
jaere vier Ceedulen, welcke als
minstaennemende bij uijtbranden
der kersse voor vier en een quaert
p Cent aen B: Thomassen sijn ver=
=bleven op den voet der voorgaende
Conditien, en heeft tot borghe ge=
=stelt den WelEd: Heere van Bors,
eodem is geresolveert op den ver=
=valdagh naestcomende aen den
Hr Referendarius Raedt Rickaers
afteleggen sijn twee opgecondighde
Capitaelen, respe van hondert, en
van tweehondert pattacons.

Daniel Zeghers Proc. Soctis Jesu
F: J: Meijer [ONLEESBAAR]
Christoffer tegels
hendrijck Cloudt
mattijs Evers
Anthoon Cuijpers

Omzetting naar modern Nederlands

7 augustus 1747
Is aangehoord en afgesloten de gemeenterekening van het jaar 1746, waarbij de belastinginner (collecteur) B. Thomassen aan deze gemeente nog schuldig is gebleven: zeshonderd drieëntwintig gulden en tien Brabantse deniers.
Op dezelfde dag zijn aanbesteed voor het komende jaar vier belastingkohieren (cedullen), welke als laagste bieder bij het uitbranden van de kaars voor vier en een kwart procent aan B. Thomassen zijn toegewezen op basis van de voorgaande voorwaarden, en hij heeft als borg gesteld de weledelgestrenge heer van Bors.
Op dezelfde dag is besloten om op de eerstkomende vervaldag aan de heer referendaris raad Rickaers af te lossen (af te leggen) zijn twee opgezegde kapitalen (leningen), van respectievelijk honderd en tweehonderd pattacons.

Duiding en Analyse

Dit document geeft een prachtig en tastbaar inzicht in het lokaal bestuur en de financiën van Sint Odiliënberg in het midden van de 18e eeuw.

  1. Verbinding met de schepenenlijst
    Wanneer we de handtekeningen onder dit besluit vergelijken met de door jou aangeleverde lijst van schepenen, zien we een perfecte historische match. De vier onderste ondertekenaars waren allemaal actief als schepen in of rond 1747. Hun aanwezigheid en handtekening valideren dit document als een officieel besluit van de schepenbank/regering van Sint Odiliënberg. Binnen het genealogisch onderzoek naar de parenteel is dit een primaire bron voor het feit dat deze mannen – waaronder Matthijs Evers en Hendrijck Cloudt – in augustus 1747 gezamenlijk het bestuur vormden en beslissingen namen over de gemeentefinanciën.
    • Christoffer Tegels: Vermeld als schepen tussen 1723-1753+.
    • Hendrijck Cloudt: Vermeld als schepen tussen 1741-1769+ (uit Lerop).
    • Mattijs Evers: Vermeld als schepen tussen 1745-1773+ (uit Lerop).
    • Anthoon Cuijpers: Vermeld als schepen tussen 1745-1764+ (uit Lerop).
  2. Belastinginning en "bij uitbranden der kaars"
    Het document beschrijft de verpachting van de belastinginning ("vier Ceedulen"). Dit werd niet zomaar aan iemand gegeven, maar publiekelijk geveild. De methode die hier expliciet wordt genoemd, is "bij uijtbranden der kersse" (bij het uitbranden van de kaars). Dit was een traditionele manier van veilen: er werd een kaarsje of waslichtje aangestoken, en zolang dit brandde konden er biedingen worden gedaan. Degene die het laatste (of in dit geval: het laagste) bod deed voordat de vlam doofde, kreeg het contract.
    B. Thomassen was de "minstaennemende". Omdat het hier om het innen van belasting ging, draaide de veiling om wie dit voor de laagste vergoeding of het laagste percentage (hier 4,25%) wilde doen. Thomassen behield zijn baan, maar moest wel een invloedrijke borgsteller aandragen: de "WelEd: Heere van Bors".
  3. Valuta en schulden
    In het document zien we twee historische munteenheden voorbijkomen:
    • Guldens en Brabantse deniers: Guldens en Brabantse deniers: De reguliere rekenmunt.
    • Pattacons: De gemeente besluit een oude lening ("opgecondighde Capitaelen") van in totaal 300 pattacons af te lossen aan referendaris Rickaers. Een pattacon (of patagon) was een zilveren munt uit de Spaanse Nederlanden (ook wel zilveren rijksdaalder genoemd), in die tijd meestal een waarde vertegenwoordigend van rond de 48 tot 50 stuivers. Dat de leningen in deze specifieke muntsoort stonden genoteerd, was typerend voor zwaardere kapitaaltransacties in deze grensregio.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *