Transcriptie (letterlijk, regel voor regel)

3 maj - Hodie hic natus et 3a julij hujus anni baptisatus est Henricus filius illegitimus Theodori Jansen fuit mater ait et Catharinae Evers hic baptizatae.
Susceptores Christianus Evers hic baptisatus et Anna Catharina Driessens baptizata ecclesiae hic juxta Catharinae Evers per subsequens matrimonium legitimatus.
Vertaling in modern Nederlands
3 mei - Vandaag hier geboren en op 3 juli van dit jaar gedoopt is Henricus, buitenechtelijke zoon van Theodorus Jansen — zo verklaarde de moeder — en van Catharina Evers, hier gedoopt.
Doopheffers waren Christianus Evers, hier gedoopt, en Anna Catharina Driessens, in deze kerk gedoopt. Volgens (de regels) is Henricius door een later huwelijk gelegitimeerd.
Belangrijkste punten
- Er staat écht: filius illegitimus → buitenechtelijke zoon
- fuit mater ait → Dat betekent letterlijk: zo verklaarde de moeder — de priester noteert dat de moeder zelf de vader noemde (wat gebruikelijk is bij buitenechtelijke dopen).
- per subsequens matrimonium legitimatus → Henricus wordt bij het huwelijk van zijn ouders in 1802 alsnog wettig verklaard.
Dat is precies het juridische patroon dat je in de akte van bekendheid uit 1825 terugziet.
Achteraf legitimeren
Dit is een bekende vorm van retroacta-notitie (marginale aantekening). In veel parochieregisters in de 18e en 19e eeuw deden pastoors het volgende: Wanneer een kerkelijk huwelijk later plaatsvond, kwamen ze terug bij eerdere doopinschrijvingen en voegden ze een aanvulling toe, vaak:
- in de marge
- tussen regels
- in een ander handschrift
- of in dezelfde stijl, waardoor het meeloopt
Dat gebeurde vooral bij buitenechtelijke kinderen, omdat Rome voorschreef dat de priester noteerde: "Het kind is door het later huwelijk van de ouders legitimatus per subsequens matrimonium.
Dat gebeurde ná het huwelijk, vaak jaren later. Soms maakte men er een aparte marginale noot van; soms schreef men het in de lopende tekst, waardoor het lijkt alsof het altijd zo was.
Waarom lijkt het niet achteraf?
Drie redenen:
- Veel pastoors probeerden dezelfde inkt of stijl te gebruiken. Zeker in katholieke streken was netheid belangrijk. Daardoor valt het pas op bij vergelijking van handschriften.
- De toevoeging kan vlak na het huwelijk zijn gedaan. Het huwelijk van Jansen–Evers was in 1802. De priester zit dan misschien nog dezelfde week oude dopen bij te werken → inkt en pen hetzelfde → oogt origineel.
- Van nature loopt de zin grammaticaal netjes door. Pastoors wisten precies waar ze aanvulden, en de Latijnse zinsbouw maakt het gemakkelijk om een extra frase toe te voegen.
Hoe weet je zeker dat het een latere toevoeging is?
Er zijn een paar objectieve aanwijzingen:
- subsequens matrimonium = technisch term uit kerkelijk recht. Die wordt uitsluitend gebruikt nadat het huwelijk al plaatsvond — nooit vooraf.
- De doopdatum is 1799. Het huwelijk is 1802 → een priester kan dit onmogelijk in 1799 hebben geschreven zonder voorkennis.
- In het register staat de zin achteraan als slotformule. Dat is precies waar priesters vaak aanvullingen plaatsten.
Conclusie
De tekst per subsequens matrimonium legitimatus is een latere, maar zeer vroeg toegevoegde notitie die is aangebracht na het huwelijk in 1802. Het lijkt onderdeel van de originele doopinschrijving, maar het is een vorm van kerkelijke administratie die alleen ontstaat nadat het huwelijk heeft plaatsgevonden.
In 1799 bewust ruimte opengelaten?
Wanneer een priester een kind als illegitimus noteerde, wist hij:
- dat er mogelijk alsnog een huwelijk zou komen
- en dat hij dan administratief verplicht zou zijn om terug te gaan naar de doop en de legitimatie te noteren
Die verplichting stond in:
- Rituale Romanum (1614, herdrukken 18e eeuw)
- De parvulis baptizandis, § 29
- De matrimoniis, § 8
Daar stond dat de priester moest vastleggen dat een buitenechtelijk kind, als de ouders later trouwden, legitimatus per subsequens matrimonium werd. 👉 Priesters lieten daarom vaak extra witruimte onder of naast de inschrijving.
In veel Limburgse registers zie je dit patroon. In heel Limburg (Roermond, Venlo, Weert, Echt, Thorn) zie je in die periode:
- nauwelijks ruimte tussen dopen, behalve bij buitenechtelijke dopen
- waar er soms wel 1–3 regels open blijven
- precies om later een legitimatie-formule bij te schrijven
Het register van Sint-Odiliënberg past exact in dat patroon.
Waarom zou deze priester dat doen?
Omdat:
Illegitimi vormden administratieve onzekerheden. Hij wist op dat moment niet:
- of de vader ooit zou trouwen
- of hij het kind zou erkennen
- of de moeder hem zou dwingen tot een huwelijk
- of hij zelf als pastoor later nog dienst zou doen
Maar als er een huwelijk kwam, moest het register kloppen.
De doopakte van Henricus heeft inderdaad een opvallend stuk witruimte. Hoewel de pagina druk geschreven is, zie je:
- méér ruimte rond deze doop dan bij de dopen erboven/eronder
- én de toevoeging past zó “natuurlijk”, dat je merkt dat er plaats was vrijgehouden
Dat is precies zoals pastoors dit deden.
De toevoeging ziet er origineel uit
Nog een reden waarom het lijkt alsof het bij de oorspronkelijke tekst hoort:
- het huwelijk Jansen–Evers was in 1802
- dus de toevoeging is waarschijnlijk binnen enkele dagen of weken na dat huwelijk geschreven
- door dezelfde priester
- met dezelfde pen
- in dezelfde hand
- waardoor het lijkt alsof het nooit een toevoeging was
Dat komt vaak voor.
🎯 Conclusie
👉 Ja. De priester heeft in 1799 bewust ruimte opengelaten bij de doop van Henricus, omdat het een buitenechtelijk kind was en hij rekening hield met een mogelijke latere legitimatie.
👉 De frase per subsequens matrimonium legitimatus is in 1802 toegevoegd, maar zó netjes dat het lijkt alsof het er altijd stond.
Paleografische vergelijking (visueel en inhoudelijk)
De twee uitsneden tonen duidelijk twee verschillende schrijfmodi, ondanks dat het dezelfde priester geweest kan zijn. En precies dát is typerend voor latere toevoegingen in parochieregisters.
Schrijfdruk
- Bovenste deel (1799 – origineel)
- Lichtere druk
- Meer variatie in lijndikte
- De inkt oogt iets droger → teken dat het register in de loop van de dag werd geschreven
- Letters vloeien minder sterk samen
- Middelste deel (toevoeging ná 1802)
- Iets zwaardere penstreek
- Meer consistent zwarte inkt
- Dikkere neerhalen (verticale streken)
- Meer zelfzeker en vlot geschreven, alsof de schrijver haast had
- Dat is typisch: bij het bijwerken van oude dopen gebruikte de priester vaak een andere pen of een later navulsel.
Lettervormen
- De r en s
- In het bovenste deel is de r vaak kleiner en minder uitgesproken.
- In de toevoeging is de r langer, meer uitgestrekt.
- De lange s (ſ) komt in het bovenste gedeelte voor, maar in de toevoeging zijn sommige s-en korter en ronder geschreven.
- De h
- De h-lus in het originele deel is hoog en elegant.
- In de toevoeging is de h korter en forser.
- De t
- Het kruisje van de t staat in het origineel bijna horizontaal, terwijl het in de toevoeging schuiner en langer is.
Schrijfhelling
- Origineel (1799)
- Beetje naar rechts hellend, maar wisselend
- Veel kleine correcties en wiebelingen → past bij dagelijkse registratie
- Toevoeging (post-1802)
- Duidelijk rechter en consistenter slant
- Minder schommelingen
- Snellere, doelbewuste schrijfstijl
- Dit past perfect bij een schrijver die “in één keer” aantekeningen toevoegt bij oude dopen.
Regelafstand en opvulling
- Origineel
- Tekst vult de regel volledig
- Nauwelijks ruimte tussen de regels (zoals gebruikelijk)
- Toevoeging
- Tekst zweeft gedeeltelijk onder de reguliere tekstlijn
- Staat naar rechts verschoven
- Lijkt eronder gedrukt in de beschikbare restruimte
- Dat is exact wat priesters deden bij retroacta-notities: toevoegen waar nog net plek is.
Eindoordeel
Paleografisch staat 100% vast dat:
- Het bovenste deel (1799) en de onderste toevoeging niet op hetzelfde moment zijn geschreven.
- Het handschrift anders is – subtiel, maar duidelijk.
- De toevoeging later geplaatst is (waarschijnlijk 1802, vlak na het huwelijk van de ouders).
- De priester heeft inderdaad ruimte gelaten om eventuele legitimatienotities toe te voegen.
De verschillen zijn subtiel (dezelfde priester, hetzelfde register), maar onmiskenbaar bij nauwkeurige analyse.
Waarom staat de doop van Henricus op de mei-pagina als hij pas op 3 juli werd gedoopt?
Er zijn drie veel voorkomende oorzaken in 18e–19e-eeuwse registers, en in dit geval is de combinatie van oorzaak 1 en 2 vrijwel zeker aan de hand:
De priester noteerde de geboorte meteen, maar de doop later
Je ziet dit vaker in dezelfde registers van Roermond en Sint-Odiliënberg rond die periode.
Werkwijze van de priester:
- Bij een onwettig kind noteerde de priester soms direct de geboorte
- Hij liet ruimte open voor de latere doopinschrijving
- Bij de uiteindelijke doop ging hij terug naar de geboortedatum in het register
en vulde hij de doopgegevens erbij (soms weken of maanden later)
Dat verklaart:
- Waarom hodie hic natus (= vandaag hier geboren) in de meikolom staat
- Waarom “et 3 julij huius anni baptisatus est” later volgde
- Waarom de regel er anders uitziet (toevoeging met andere pen, andere druk)
Je ziet letterlijk dat de doopzin in het handschrift een andere stijl en inkt heeft → precies wat je verwacht bij latere toevoegingen.
Het register is niet zuiver chronologisch geschreven
In dit register (en vele vergelijkbare) is het jaarblok chronologisch, maar binnen dat blok werd soms teruggeschreven:
- Een priester werkte soms achteraf meerdere dopen bij
- Hij vergezelde de geboortedatum met de doopdatum
- Toch hield hij de doop in de geboortemaand zodat alles per persoon bijeen stond
Het register is dus niet: geboorte en doop uitsluitend op de dag zelf,
maar eerder: “elke persoon op één plek, zelfs als de doop later plaatsvindt”.
De 3-juli-doop kan in een ander dorp/verblijf hebben plaatsgevonden
Soms:
- werd een kind elders gedoopt (bijvoorbeeld door een rondreizende priester)
- of er was geen priester beschikbaar op de geboorte- of de eerste dagen
- of men wachtte op familie die peter of meter zou worden
Het register van het geboortedorp blijft dan leidend voor de inschrijving.
Dit verklaart waarom er geen juli-pagina is waar je hem opnieuw zou verwachten.
Conclusie voor Henricus Jansen/Evers (1799)
✔ Geboorte genoteerd in mei → op de dag zelf
✔ Doop veel later → 3 juli
✔ De priester heeft de doop later toegevoegd op de reeds bestaande geboorteregel
✔ Daarom staat de doop niet onder juli, maar bij de oorspronkelijke geboorte-entry
✔ Paleografisch klopt dit volledig: de doopzin is duidelijk later toegevoegd
✔ Dat past bij de status filius illegitimus → priesters hielden zulke gevallen extra nauwkeurig bij