Spring naar inhoud

De crisisjaren van een Antwerpse dokwerker

Het leven van een havenarbeider ('dokker') in Antwerpen was in het begin van de twintigste eeuw bikkelhard. Hubertus Wilhelmus Graus verdiende zijn brood met zware, fysieke arbeid. In de geboorteakten van zijn vele kinderen zien we hem worstelen om het hoofd boven water te houden; zijn beroep wisselt van polijster en vuurstoker tot voerman en uiteindelijk dokwerker. Het was daglonerswerk, zonder enige vorm van werkzekerheid.

De genadeslag kwam tijdens de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig. Uit zijn vreemdelingendossier blijkt dat Hubertus vanaf 1936, op 58-jarige leeftijd, zijn zware werk in de haven niet meer kon volhouden en definitief werkloos raakte. Het gezin viel terug op de schamele "werkloozensteun" van amper 105 tot 117 frank per week. Het gezin was zo arm, dat Hubertus als Nederlander de verplichte leges voor zijn identiteitskaart niet meer kon betalen. Tussen 1936 en 1945 moest hij zich maar liefst zes keer bij de politie melden om een "Verklaring van Onvermogen" in te vullen. Op deze armoedeformulieren werd de bittere realiteit opgetekend: het gezin overleefde op een "kamer en mansarde" (zolderkamertje) en was volledig afhankelijk van de steun en de kleine inkomens van hun thuiswonende kinderen. Pas in de late jaren '50, woonachtig op een klein appartement in de Violetstraat, kon hij als weduwnaar eindelijk van een bescheiden ouderdomspensioen genieten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *