Odilia Hommen was een kind van de Franse tijd. Geboren in de herfst van 1804 in Sint Odiliënberg, groeide ze op in een wereld die in rap tempo veranderde. Toen zij op latere leeftijd in het huwelijk trad met de maar liefst 27 jaar jongere Jan Timmermans, wist het koppel dat er geen wiegjes meer in hun boerderij in Melick zouden schommelen. Ze werkten hard op hun bescheiden boerderij, die nog geen hectare besloeg en gebukt ging onder oude pachtrechten waarbij ze jaarlijks rogge, boekweit en gerst aan de gemeente moesten afdragen.
Jan was een analfabete, maar uiterst betrouwbare man; een man die door de buren zo werd vertrouwd dat hij zelfs werd aangewezen als voogd voor de weeskinderen in het dorp. Odilia wilde haar jongere echtgenoot beschermen. Als zij zou komen te overlijden, zou haar helft van de boerderij in handen vallen van haar eigen bloedverwanten, waardoor Jan op straat kon belanden. Daarom wandelden ze in de zomer van 1862 naar notaris Corbeij in Sint Odiliënberg. Daar liet Odilia zwart op wit vastleggen dat Jan haar enige erfgenaam zou zijn.
Het was een verstandig besluit. Vijftien jaar later, in het voorjaar van 1877, werd de 72-jarige Odilia ernstig ziek. Dokter Reurs uit Roermond reisde naar Melick om haar medische hulp te bieden en apotheker Nijs leverde medicijnen, maar het mocht niet meer baten. Ze stierf in april. De bakker en de kruidenier kregen hun openstaande rekeningen uit de erfenis betaald, en Jan behield het eigendom van de boerderij. In oktober 1877 stond hij in het statige gerechtsgebouw van Roermond. Daar hief hij zijn hand op voor de kantonrechter en zwoer een eed dat hij de erfenis van zijn geliefde, oudere vrouw eerlijk had afgehandeld. Niet lang daarna sloot hij de deur van de boerderij in Melick definitief achter zich, en begon hij een nieuw leven als akkerman in de stad Roermond.