Spring naar inhoud

Persoon

VII.19 Maria Catharina Busser 📜 Historische Tijdlijn

Maria Catharina Busser werd gedoopt op 2 oktober 1774 in Vlodrop als dochter van Hubertus Buijsers en Agnes Cuijpers.

Doopsel: 2 oktober 1774 in Vlodrop
Getuigen: Dionisius Stockx, stiefgrootvader en Gertrudis Van der Loo.

Vader Hubertus heeft zijn stiefvader (de man die hem heeft opgevoed) gevraagd als peetvader voor zijn oudste dochter! Dat bewijst dat er een goede band was en bevestigt definitief de identiteit van de moeder en de stiefvader van Hubertus.

Huwt met Jan Seuntjens
Kerkelijk huwelijk: 26 april 1802 in Sint Odiliënberg
Getuigen: Wilhelmus Buijsers, wellicht haar jongste broer en Maria Catharina Willems.

De naam van de echtgenoot is geregistreerd in de overlijdensakte van Maria Catharina

Kinderen:
Overlijden: 16 mei 1837 in Vlodrop
Aangevers: Theodor Pötting, 34 jaar oud, akkerman uit Vlodrop, buur en Leonard Linnards, 23 jaar oud, dagloner uit Vlodrop, buur.

Bij overlijden geregistreerd als weduwe van Jan Seuntjens en dochter van wijlen Hubert en van wijlen Agnes Cuijpers

Verhalen

Een Vlodropse tragedie: slagen op een erf

👉 Lees hier het onderzoek naar de feiten van dit verhaal

Een fatale zaterdag

Het is zaterdag 12 april 1828. De lente is begonnen in het Limburgse kerkdorp Vlodrop, vlak bij de grens, maar van ontluikende romantiek is op de schrale boerenerven weinig te merken. Het leven voor dagloners is een harde, dagelijkse strijd om het bestaan. Gezinnen leven dicht op elkaar gepakt in kleine, vochtige kamers van gedeelde boerderijen. In zo’n huis, met flinterdunne muren en gedeelde voordeuren, wonen twee weduwes noodgedwongen onder één dak.

Aan de ene kant woont de 46-jarige Maria Catharina Buijsers. Ze is klein van stuk, precies een meter zestig, met grijs haar, grijze ogen en een gezicht dat getekend is door het zware veldwerk en de zorg voor haar gezin. Haar man, Jan Seuntjens, is overleden. Jaren geleden trokken ze nog samen als dagloners door de grensstreek, op zoek naar werk. Hun dochter Helena, inmiddels veertien, werd tijdens zo’n tocht in het Brabantse Budel geboren. Nu woont Maria Catharina met Helena en haar dertienjarige zoon Christiaan weer in Vlodrop. Christiaan is een bleke, tengere jongen van nog geen meter dertig met bruin haar. Een jongen die, zonder vader in huis, al snel de last voelt om de man van de familie te zijn.

Direct naast hen woont de 37-jarige Anna Maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, samen met haar zevenjarige dochtertje Geertruid. De nabijheid van de twee gezinnen, gecombineerd met de armoede, zorgt voor een kruitvat aan opgekropte spanningen. Er is maar weinig voor nodig om de vlam in de pan te laten slaan.

Die zaterdagmiddag, de klok tikt richting vijf uur, is Anna Maria Delissen even de deur uit. Ze is op bezoek bij een buurman, Ruth van der Beek, een klein stukje verderop. Terwijl de volwassenen praten, klinkt er plotseling een ijselijk gekrijs over het zandpad. Anna Maria herkent onmiddellijk de stem van haar zevenjarige dochtertje Geertruid.

Ze aarzelt geen moment, rent het huis van Van der Beek uit en snelt over het erf terug naar haar eigen woning. Daar treft ze een tafereel aan dat haar moederhart doet overkoken: de dertienjarige Christiaan Seuntjens slaat met zijn blote vuisten op de kleine Geertruid in. Anna Maria stormt naar binnen, trekt het kind los en deelt in blinde woede een klap uit aan de jongen. Het is een lichte tik, zal ze later beweren, maar het is genoeg. Het geschreeuw in de krappe gang alarmeert de buurvrouw.

De deur van de naastgelegen kamer zwaait met een rotklap open. Maria Catharina, de moeder van Christiaan, stapt de gang in. Ze is niet met lege handen gekomen. In haar knuisten klemt ze een heep, een vlijmscherp, zwaar kapmes met een houten handvat, normaal gebruikt om ruig struikgewas te kappen. Ze ziet hoe haar zoon geslagen wordt en haalt zonder nadenken uit. Het zware ijzer klieft door de lucht en raakt Anna Maria hard op de rechterschouder.

De chaos is nu compleet. Helena, de veertienjarige dochter, hoort het tumult en mengt zich in de strijd. Ze heeft buiten een zware, houten schop met een stalen blad van de muur gegrist. Ze haalt uit naar Anna Maria en raakt de weduwe vol op de linkerarm. Anna Maria, nu ingesloten door de woedende familie Seuntjens, weert de schop met een wanhopige beweging af. De schop klettert op de lemen vloer. In een reflex grist Anna Maria de schop zelf van de grond. Het is haar enige schild tegen het kapmes van Maria Catharina. Ze deinst achteruit richting de voordeur, wanhopig op zoek naar een uitweg.

Maar bij de drempel wacht de bleke Christiaan. De dertienjarige jongen is de klap van de weduwe niet vergeten en ziet hoe zijn moeder en zus vechten. Hij verspert de deur. “Geef hier die schop,” snauwt hij, of woorden van die strekking. Anna Maria, in de overtuiging dat ze buiten veilig is als ze het wapen laat vallen, gooit de schop op de grond en stapt over de drempel.

Het is een fatale inschattingsfout.

Christiaan bukt, grijpt de lange houten steel en zwaait de schop met de kracht van een volwassene omhoog. Het stalen blad raakt de weduwe Marks met een misselijkmakende kraak vol op de rechterzijde van haar voorhoofd. De wond is gruwelijk: een halfronde snee van ruim vijftien centimeter lang snijdt dwars door de huid, de spieren, de slagader en de zenuwen, tot op het schedelbot. Het bot zelf versplintert.

Buiten op straat komt op dat exacte moment de 28-jarige akkerman Peter Piskens aanrijden met een kar vol brandhout, gehaald van de heide. Achterop de kar zit zijn zeventienjarige knecht, Andreas van der Beek. Vanaf de kar ziet de jonge Andreas hoe de stalen schop op het hoofd van de weduwe neerkomt.

Anna Maria wankelt. Het bloed spuit uit de slagader op haar voorhoofd en stroomt in dikke stromen over haar gezicht. Ze strompelt het pad op, recht op de kar van Piskens af. “Zij slaan mij! Zij slaan mij!” gilt ze dwars door de pijn heen naar de verbijsterde boer. “En gij moet het mij getuigen!”

Ze wacht het antwoord niet af en strompelt bloedend verder over de zandweg, op weg naar het huis van de schepen, en uiteindelijk naar haar zwager Jan Marks. Achter haar, in de deuropening, blijft de familie Seuntjens achter. Maria Catharina staat in de post, haar eigen voorhoofd licht bloedend van een schram opgelopen in de worsteling. Christiaan staart naar de met bloed besmeurde schop in zijn handen. Hij heeft zijn moeder verdedigd, denkt hij.

Hij weet nog niet dat deze enkele slag met een boerenschop het einde van zijn eigen korte leven heeft ingeluid.

Gearresteerd door de marechaussees

Zondagochtend 13 april 1828. Terwijl Vlodrop ontwaakt voor de kerkgang, wordt op de deur van Jan Moubis, de burgemeester van de plattelandsgemeente, luidruchtig geklopt. Op de stoep staat Jan Marks, een lokale dagloner. Hij is buiten adem en in paniek. In zijn huis ligt zijn schoonzus, Anna Maria Delissen, zwaar bloedend en hevig lijdend op bed. Ze is de avond ervoor na een vreselijke ruzie op zijn stoep in elkaar gezakt.

Burgemeester Moubis begrijpt direct de ernst van de situatie. Hij pakt pen en papier en noteert in een lange, gehaaste zin – vol spelfouten en zonder interpunctie – het gruwelijke relaas van Jan Marks. De dertienjarige Christiaan Seuntjens zou met een schop hebben uitgehaald, moeder Maria Catharina met een heep en dochter Helena ook met een schop. Moubis besluit zelf polshoogte te nemen in de buurtschap.

Wanneer hij de omwonenden spreekt, wordt de ravage van de vorige dag pas echt duidelijk. De getuigen – akkerman Piskens en de jonge knecht Van der Beek – vertellen over het met bloed besmeurde gezicht van de weduwe Marks en de paniek op het zandpad. Vervolgens klopt de burgemeester aan bij de deur van de verdachten. Maria Catharina Buijsers opent. Ze deinst niet terug voor het gezag. Integendeel, ze wijst direct naar een schram op haar eigen hoofd en verklaart stellig dat Anna Maria hém, haar jonge zoon Christiaan, met een stok had aangevallen. De schop en de heep, zo stelt ze, werden pas gegrepen toen zíj met een gapende hoofdwond werd achtergelaten.

Burgemeester Moubis krabt zich achter de oren. Hij constateert dat de hoofdwond van Maria Catharina inderdaad bebloed is, maar oordeelt ook dat de toestand van de weduwe Marks levensgevaarlijk is. Hij sluit zijn proces-verbaal af met het dringende advies om er zo snel mogelijk een dokter bij te halen en stuurt het rapport in ijltempo naar het parket in Roermond.

De Officier van Gezondheid Een dag later, op maandag 14 april, stuurt de Procureur des Konings direct zijn medisch expert naar Vlodrop. Het is Emmanuel Dethier, een nog jonge, 26-jarige officier van gezondheid. Wanneer Dethier de ziekenkamer in het huis van Jan Marks betreedt, slaat de geur van bloed en ellende hem tegemoet.

De arts gaat grondig en koelbloedig te werk, maar wat hij aantreft, tart elke beschrijving. Anna Maria is bij kennis en antwoordt helder op zijn vragen, maar ze is een wrak. Ze kreunt van de pijn in haar hoofd, haar borst en haar armen. Haar gezicht is vuurrood, dik opgezet en haar oogleden zijn zwaar gezwollen. Het meest lugubere detail noteert Dethier met klinische precisie: haar neusgaten zitten volledig verstopt met opgedroogd, gestold bloed.

Dan buigt de dokter zich over de wond op haar voorhoofd. De klap van Christiaan heeft een enorme ravage aangericht. Dethier ziet de doorgesneden spieren, de beschadigde slagader, blootliggende zenuwen en de diepe groef in de buitentafel van het os coronal, het schedelbot. Op haar linkerbeen vindt hij bovendien nog een verscheurde wond, een detail dat justitie later vreemd genoeg buiten de aanklacht zal laten. De conclusie van de jonge arts is duidelijk: de wonden zijn op dit moment niet dodelijk, maar de vrouw is voor de komende maanden volledig uitgeschakeld.

De Arrestatie Het medische rapport van Dethier landt nog diezelfde dag op het bureau van de Procureur des Konings in Roermond. Die aarzelt geen seconde. De feiten zijn te zwaar voor een simpele berisping. Er gaat een officieel bevel van medebrenging uit naar de Koninklijke Marechaussee.

Dinsdag 15 april is de dag dat het lot van de familie Seuntjens definitief wordt bezegeld. Twee marechaussees, de brigadiers Van de Veld Wacht en Van Mild, rijden gewapend en in uniform Vlodrop binnen. Ze houden halt bij de armoedige woning van de weduwe Seuntjens. De 46-jarige Maria Catharina, haar veertienjarige dochter Helena en de bleke, dertienjarige Christiaan worden gearresteerd. Er is geen ruimte voor verweer. Ze worden van hun erf gehaald, door de marechaussees meegenomen en nog diezelfde dag afgeleverd bij de zware poorten van de gevangenis in Roermond.

De cipier tekent voor hun ontvangst en sluit het gezin op.

Nog diezelfde middag in Roermond, de geur van de heide nog in hun kleren, worden ze één voor één voor rechter-commissaris Sartorius geleid. Het drietal heeft in de uren na de ruzie blijkbaar goed met elkaar gesproken, want hun verdediging is ijzersterk en uniform. Christiaan verklaart stellig, met de branie van een dertienjarige die denkt het juiste te hebben gedaan, dat hij de schop heeft gepakt om zijn moeder te redden van de woedende buurvrouw. Maria Catharina en Helena ontkennen stellig ook maar een vinger te hebben uitgestoken met een wapen in de hand. Het was noodweer, houden ze vol. Een ongelukkige samenloop van omstandigheden om het eigen gezin te beschermen.

Rechter Sartorius luistert naar hun relaas, kijkt naar de piepjonge verdachten en naar de moeder die hen wanhopig probeert te beschermen. Hij tekent hun antwoorden op, maar de bewijzen van dokter Dethier spreken een veel hardere taal. De gevangenisdeuren vallen definitief in het slot. Voor Christiaan Seuntjens is het de laatste keer dat hij als vrij mens over de drempel van een Vlodrops huis is gestapt.

Een hard vonnis

De lente gaat over in de zomer van 1828, maar voor Maria Catharina, Helena en Christiaan bestaat de wereld enkel nog uit de schaduwen van hun cel. Maandenlang zitten ze in voorarrest. Achter de schermen draait de bureaucratische molen van justitie op volle toeren. Het Hoog Gerechtshof in Luik buigt zich over de zaak en oordeelt in juni dat het misdrijf te zwaar is voor een lokale rechter; de zaak wordt doorverwezen naar het Hof van Assisen in Maastricht.

De Dag van het Vonnis Op dinsdag 8 juli 1828 is het zover. De deuren van de grote rechtszaal aan de Tongersestraat in Maastricht zwaaien open. Het is een indrukwekkende, intimiderende ruimte voor een eenvoudige dagloonster en haar twee jonge kinderen. Drie hoge rechters, in zware gewaden, kijken op hen neer: president De Limpens en de raadsheren Van de Olne en De Selys Fanson.

De familie Seuntjens heeft een pro-Deo advocaat toegewezen gekregen, maar tegen de gedetailleerde medische rapporten van dokter Dethier en de getuigenissen van de buurmannen valt weinig in te brengen. De rechtbank stelt de belangrijkste vraag over de jonge Christiaan: handelde deze dertienjarige jongen met oordeel des onderscheids? Besefte hij wat hij deed toen hij de stalen schop ophief? Het Hof antwoordt genadeloos: Ja.

Het vonnis valt zwaar. Maria Catharina, aangewezen als de aanstichtster met de heep, wordt veroordeeld tot maar liefst vijf jaar tuchthuis. Omdat het Hof toch enige verzachtende omstandigheden ziet, wordt haar de gruwelijke, voorafgaande publieke tentoonstelling aan de schandpaal (de kaak) bespaard. Dochter Helena krijgt één jaar gevangenisstraf en een boete van acht gulden.

En de jonge Christiaan? Voor zijn fatale klap ter verdediging van zijn moeder krijgt hij drie jaar opsluiting in een verbeterhuis. De familie wordt uit elkaar getrokken, wellicht met een laatste, wanhopige blik naar elkaar in de rechtszaal, om de straffen in verschillende instellingen te gaan uitzitten.

Licht in de duisternis: een huwelijk Terwijl Maria Catharina haar zware straf uitzit in de gevangenis van Maastricht, draait de wereld buiten gewoon door. Het is november 1828, vier maanden na de veroordeling. Haar andere zoon, Leonardus Seuntjens, is verliefd. Hij wil trouwen met Anna Maria Biermans. Maar in de negentiende eeuw heeft een jongeman de formele toestemming van zijn ouders nodig om in het huwelijk te treden. Vader Jan is overleden en moeder zit opgesloten.

Op 6 november 1828 meldt notaris Petrus Dominicus Jessé zich bij de poorten van de gevangenis in Maastricht. In een kale spreekkamer, onder het toeziend oog van de bewakers, ontmoet hij de gedetineerde Maria Catharina. Ze kan niet lezen of schrijven, maar via de notariële akte geeft ze haar zegen aan haar zoon Leonardus. Twee weken later, op 19 november, trouwt hij in Melick. Het is een zeldzaam moment van warmte en nieuw leven, dat in schril contrast staat met het lot van haar jongste zoon.

Het einde in Hemiksem Voor Christiaan heeft justitie een plek gevonden in het Correctiehuys van St. Bernard in Hemiksem, net ten zuiden van Antwerpen. Deze voormalige cisterciënzerabdij, een immens en koud stenen complex aan de oevers van de Schelde, was door de overheid omgebouwd tot een gigantische strafinrichting. De omstandigheden in deze tuchthuizen waren berucht: zware dwangarbeid, strenge tucht, bittere kou in de winters en een constant gebrek aan hygiëne. Voor een tengere, bleke jongen uit een Limburgs kerkdorp was het een hel op aarde.

Ver weg van zijn moeder, ver van de bossen van Vlodrop, kwijnt Christiaan langzaam weg. Of het nu ziektes zoals tyfus of cholera waren (die veelvuldig door de overvolle zalen waarden), de slechte voeding, of simpelweg een gebroken geest; de dertienjarige die in april 1828 de ‘man van het huis’ wilde zijn, redt het niet.

Het is zondag 11 juli 1830. De spanningen in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden lopen hoog op; we zijn slechts weken verwijderd van het uitbreken van de Belgische Revolutie. Maar van die grote politieke aardverschuivingen krijgt Christiaan niets meer mee. Terwijl de zomerzon buiten langzaam zakt, blaast Christiaan Seuntjens om klokslag zes uur in de namiddag zijn laatste adem uit binnen de dikke muren van de abdijgevangenis. Hij is slechts vijftien jaar oud geworden.

Er is geen familie bij hem om zijn hand vast te houden. Zijn overlijden wordt louter administratief afgehandeld door twee bedienden van het tuchthuis: de 53-jarige Martinus Geraerts en de 43-jarige Guilielmus van Everhoren. Zij lopen naar de ambtenaar van de burgerlijke stand in Hemiksem om de akte te laten opmaken. Maanden later zal een kopie van deze akte in het register van Vlodrop worden bijgeschreven, als een kille, bureaucratische voetnoot bij een uit de hand gelopen burenruzie.

De jongen die een stalen boerenschop ophief om zijn moeder te beschermen, betaalde daarvoor de ultieme prijs.

Epiloog: een veilige haven op de Zandberg

Terwijl Christiaan zijn einde vond in de koude muren van Hemiksem en moeder Maria Catharina haar jaren in het tuchthuis sleet, leek de familie Seuntjens na het proces voorgoed verdoemd. Toch wist de oudste zoon, Leonardus, de neerwaartse spiraal te doorbreken. Zijn huwelijk met Anna Maria Biermans vormde de reddingsboei voor de overgebleven familieleden. Anna Maria was namelijk geen rechteloze dagloonster, maar eigenaresse van elf percelen land en een huis op de Zandberg in Herkenbosch.

Leonardus en Anna Maria werkten keihard om hun boerenbedrijf draaiende te houden en de zware leningen, die met het land als onderpand waren afgesloten, af te lossen. Terwijl Anna Maria als landbouwster de akkers bewerkte, nam Leonardus in de rustigere seizoenen zijn slijpsteen op de rug en trok hij als scharenslijper langs de dorpen om de broodnodige extra munten te verdienen.

Hun boerenerf op de Zandberg werd het vaste ankerpunt voor de familie. Toen Helena na een jaar haar gevangenisstraf had uitgezeten, stond zij niet eenzaam op straat, maar vond zij een thuis bij haar broer. Ook oudere zus Sophia en haar man, de scharenslijper Jan Beulen, vonden er een uitvalsbasis. Toen Helena in de ijskoude winter van 1842 als ongehuwde vrouw beviel van een dochtertje – dat ze naar haar zus Johanna Sophia vernoemde en dat helaas slechts een maand mocht leven – gebeurde dit niet in een haveloos kampement op de heide, maar in de geborgenheid van Leonards boerderij. Het was zwager Jan Beulen die telkens voor haar naar de burgerlijke stand liep.

Ondanks tegenslagen en hoge kindersterfte behielden Leonardus en Anna Maria succesvol hun landerijen. Toen Anna Maria in 1861 stierf, tien jaar na Leonardus, liet zij hun enige overlevende zoon Jan een schuldenvrij landgoed van maar liefst achttien percelen na. De nakomeling van de veroordeelde dagloonster Maria Catharina was uitgegroeid tot een welvarende, rechtmatige landbouwer. De klappen van 1828 hadden diepe wonden geslagen, maar op de Zandberg had de familie Seuntjens zich definitief opgericht.

Verantwoording en Werkwijze

Dit verhaal is tot stand gekomen door uitgebreid genealogisch en historisch archiefonderzoek. De tijdlijn en gezinssamenstellingen van de familie Seuntjens-Buijsers zijn minutieus gereconstrueerd aan de hand van de originele DTB-registers (Doop-, Trouw- en Begraafboeken) en de akten van de Burgerlijke Stand. De fatale gebeurtenissen in Vlodrop in 1828 zijn volledig gebaseerd op de originele, handgeschreven processtukken uit het strafdossier. Om inzicht te krijgen in de verrassende financiële en maatschappelijke wederopstanding van de familie op de Zandberg, is bovendien diepgravend onderzoek gedaan in notariële akten, kadastrale gegevens en memories van successie.

Bij het ontsluiten van deze rijke historie heeft kunstmatige intelligentie (AI) een waardevolle, ondersteunende rol gespeeld. AI is ingezet om de complexe, eeuwenoude handschriften uit de archieven nauwkeurig te transcriberen en hielp vervolgens mee om de droge archieffeiten, getuigenissen en data samen te smeden tot dit vlot leesbare, historische verhaal. Ook de afbeeldingen zijn gegeneerd met AI.

👉 Lees hier het onderzoek naar de feiten van dit verhaal

Strafzaak tegen Maria Catharina Buysers en kinderen Seuntjens (1828)

Bronvermelding
Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) in Maastricht,
toegang 08.001, inventarisnummers 304 en 369

👉 Lees hier een verhaal gebaseerd op onderstaande feiten
👉 Bekijk een overzicht van de familie Seuntjens Buysers

Verantwoording en Leeswijzer

Context van het onderzoek

Dit rapport bevat de originele archiefstukken en transcripties van het crimineel proces tegen Maria Catharina Buysers (weduwe van Jan Seuntjens) en haar minderjarige kinderen Helena en Christiaan. Zij stonden terecht voor geweldpleging tegen hun buurvrouw, Anna Maria Delissen (weduwe van Rutgerus Marks), in de gemeente Vlodrop op 12 april 1828. De zaak escaleerde van een ruzie tussen kinderen tot een gewelddadig conflict met een kapmes (heep) en een stalen schop, resulterend in een zware rechtszaak bij het Hof van Assisen in Maastricht en een tragische afloop in het tuchthuis van Hemiksem. Het drama speelde zichaf op de Etsberg van Vlodrop. De zaak kwam ook aan bod in twee toenmalige kranten.

Verantwoording van de transcripties

De handgeschreven documenten uit 1828 zijn diplomatisch tot semi-diplomatisch getranscribeerd. Dit betekent dat de originele tekst zo letterlijk mogelijk is overgenomen. Voor het ontcijferen en transcriberen van deze historische handschriften is gebruikgemaakt van geavanceerde kunstmatige intelligentie (AI), waarna de teksten zijn samengevoegd.

De oorspronkelijke spelling, grammatica en (het gebrek aan) interpunctie zijn volledig gehandhaafd. Zelfs kennelijke spelfouten van de klerken en de burgemeester zijn bewaard gebleven om de authenticiteit van de documenten te waarborgen.

Afgebroken woorden aan het einde van een regel zijn voor de leesbaarheid aan elkaar geschreven.

Doorhalingen in de kantlijn zijn direct in de lopende tekst verwerkt als dit de definitieve, goedgekeurde versie van de griffier betrof.

Chronologische inventarislijst

De documenten in het originele archiefdossier (RHCL, toegang 08.001, inv.nr. 304 en 369) zijn door de toenmalige griffier van oud naar recent gebundeld. Voor dit rapport zijn de stukken in chronologische volgorde gezet, zodat de gebeurtenissen van dag tot dag te volgen zijn. Sommige louter procedurele stukken zijn niet getranscribeerd. Van de de verhoren van de verdachten is, omwille van de vele herhalingen, alleen het laatste getranscribeerd. Alle stukken zijn te raadplegen in de scans met de originele processtukken (pdf, 62 MB).

Fase 1: Voorval en arrestatie

Fase 2: Vooronderzoek en verhoren

Fase 3: De rechtszaak en het vonnis


Eerste proces-verbaal en aangifte bij de burgemeester van Vlodrop

Terug naar inventaris
13 april 1828

Op heden den dertienden April achttien honderd acht en twintig ten acht uren voormiddag, verscheen voor ons Jan Moubis Burgemeester der Gemeente Vlodrop, Distrikt Roermond, Provincie Limburg, Jan Marks daglooner wonende te Vlodrop mij te kennen gevende als dat zijne schoonzuster Anna Maria Delissen weduwe Ruth Marks dagloonersche wonende alhier te Vlodrop op den gisteren den twaalfden dezer namiddags ten vijf uren, dat zij zijnde in een naburig huis bij Ruth van der beek, haar kind in haar huis hoorende schreeuwen, dat zij naar huis ging, gezien hebbende dat dit kind geslagen wierd door Christiaan Seuntjens oud twaalf jaren dewelke zij daar in huis wezen de waar op de voornoemde Anna Maria Delissen hem met eene hand aan zijn hoofd heeft geslagen waarop de Moeder Catharina Busers, weduwe van Jan Seuntjens met hare dochter Helena oud zeventien jaren, alwoonende in het zelve huis, de Moeder gewapend zijnde met eene heep in de hand, de dochter gewapend met eene graafschup en hare voornoemde zoon met een mes, waarop de voornoemde Katharina Busers met de heep Anna Maria Delissen verscheide slagen heeft toegebragt met hare twee voormelde kinderen waarop zij de vlugt heeft genomen buiten het huis des waar naemden Christiaan Seuntjens eene graafschup genomen heeft dezelve daarmede voor haar hoofd in geslagen wonde heeft gezien Andreas Van Der Beek jong man oud zeventien jaren dienstknecht wonende te Vlodrop bij Peter Piskens akkerman.

Dezelve Peter Piskens verklaart aan de te hebben dezelve zijnde uit het huis gekomen en gekeert de voornoemde Delissen roepende dat zij haer geslagen hadden, en dezelve gansch bebloed, behalve verklaart nog Michiel Bosch jong man oud zevenenveertig jaren zonder beroep nabeur van dezelve gezien te hebben. Terwijl de vrouw geslagen is dat zij niet gaan kan of gevaarlijk, zoo vonden het zeer noodig zijn zoo spoedig als mogelijk dezelve door Doctoor of Schirurijn te laten viseteren.

Na dit alles gehoord te hebben zoo hebben wij hiervan dit proces-verbaal opgemaakt op dato als boven en na gedane voorlezing hebben de twee laatste getuigen behalve met ons geteekend, en de eerste getuige verklaart niet te kunnen schrijven.

P Piskens M bosch J Moubis Burgemeester

J Moubis Burgemeester

Aan den Wel Edelen gestrengen Heer de Heer Procureur des Konings Van de Regtbank der eerste aanleg zitting houdende te Roermonde.


Eerste medische rapport op de locatie in Vlodrop door officier van gezondheid E. Dethier

Terug naar inventaris
14 april 1828

Op Verzoek Van den Heer Procureur des Konings, heb ik ondergeteekende Heelmeester my begeven naar de Gemeente Vlodorp, op heden den 14 April 1828. om aldaar in de tegenwoordigheid van den Heer Burgemeester der Gemelde Gemeente de Wonden Welke Anna Maria Delissen, weduwe van Ruth Marks, op den 12 dezer maand ontvangen had te onderzoeken, Ik Vond haar in den Volgenden toestand.

het Verstandelyk vermogen is van Aanvang Goed geweest, Volgens Zeggen Van de na bestaanden en andere personen die by haar Geweest zyn; zy antwoordt zeer Goed aan alle Vragen die Haar Gedaan Worden; Zy Klaagt over pynen in het Hoofd, in de borst en in de armen. het Gezigt is rood en opgezet. de Neus Gaten zyn Verstopt met gestolden bloed. de oogleden zyn gezwollen;

op de regter zyde Van het voorhoofd is eene wonde half Cirkelrond ter lengte Van Zes Duimen, Dewelke Door een Snijdend Werktuig Schijnt toegebragt te zyn; Doorsnydende de huid, de Spieren, de Slagader en de Zenuw (Sus orbitaire genoemd) het Bekkeneelvlies (pericrane) en een Gedeelte Van de buite tafel Van het Coronalbeen.

Aan het bovenste en buitenste Gedeelte Van den regter arm bevindt Zich eene Groote Kneuzing met Gezwollen pyn, Verlammende Alle bewegingen

Eene andere Kneuzing is aan den linker Voorarm. Aan het linker been is eene Verscheurde Wonde.

Geen Van deze Kwetsuren is Doodelyk. in den tyd Van 1 1/2 maanden of twee maanden en een Half, Kunnen Zy Genezen Zyn, als er geene toevallen daar by in Komen.

Roermond, den 14 April 1828. Dethier.


Beëdigd verhoor van het slachtoffer, Anna Maria Delissen, afgenomen op haar ziekbed in Vlodrop

Terug naar inventaris
16 april 1828

Aangezien dat daaruit blykt dat Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks wonende te Vlodrop zich in de onmogelykheid bevindt om voor ons in onze kamer ter instructie hier te Roermond te verschynen ten einde als getuige te worden gehoord in zaak tegen Maria Katharina Buysers weduwe Seuntjens en haere kinderen Helena en Christiaan Seuntjens, alle wonende te Vlodrop, beklaagd van op den 12 dezer maand aan voornoemde weduwe Marks slagen toegebragt en kwetsuren veroorzaakt te hebben, en onderrigt zynde dat deze laatstgenoemde zich in eenen gevaarlyken staat zoude bevinden;

Zoo hebben wy ons heden vergezeld van den Heere Commies Griffier by de regtbank van eersten aanleg te gezegde Roermond in de gemeente Vlodrop ter woning van gezegde Anna Maria Delissen, weduwe Marks begeven om haar getuigenis af te nemen.

Alwaar zynde hebben wy aan dezelve de redenen van onze begevenheid bekend gemaakt en zyn tot haar verhoor afzonderlyk en buiten het bywezen van de beklaagden overgegaan zoo als volgt: Zy heeft den eed afgelegd, van de volkomene waarheid en niets dan de waarheid te zeggen onder aanroeping: zoo waarlyk helpe my god almagtig, en heeft verklaard zich te noemen Anna Maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, oud 37 jaren, dagloonersche, wonende te Vlodrop, niet te zyn huisbediende of nabestaande in bloede of door aanhuwing van de beklaagden, en ter zake:

Dat het huis waar zy nu te bed ligt niet haar woonhuis maar dat van haren Zwager Jan Marks is; Dat zy op den twaalfden dezer maand omtrent tusschen vier en vyf ure na middag ten huize van Ruth Vanderbeek in de nabyheid van haar woonhuis zynde, haar Dochtertje Geertrudes Marks, oud zeven jaren, dewelke zich in haar woonhuis bevondt heeft hooren schreeuwen; dat zy dadelyk naar huis gegaan zynde, gezien heeft dat Christiaan Seuntjens, zoon van de beklaagd, hare voornoemde Dochter sloeg met de hand of met de vuist; dat zy haar kind bevrijd en aan Christiaan Seuntjens eenen ligten slag met de hand gegeven heeft;

Dat toen de weduwe Seuntjens uit de nevenliggende door haar bewoonde kamer op haar getuige aangeloopen is gekomen en haar met eene heep eenen slag op de regter schouder toegebragt heeft; Dat ter gelyker tyd de dochter genaemd Helena Seuntjens haar getuige met eene schup op den linker arm geslagen heeft; dat zy om de verdere slagen welke deze laatstgenoemde haar wilde toebrengen af te keeren linker arm verweerende de schup heeft doen nedervallen;

Dat zy toen dezelve opgeraapt heeft en daarmede heeft willen vlugten uit vreeze daarmede nog verder mishandeld te worden; Dat zy aan de huisdeur komende door Christiaan Seuntjens is opgevolgd geworden die haar de schup door zyne moeder terug vroeg, welke zy getuige dan ook aan de deur heeft laten vallen; dat Christiaan Seuntjens dezelve dadelyk op denzelven heeft opgeraapt in de hoop dat zy buiten het huis niet meer zoude mishandeld worden; dat echter Christiaan Seuntjens haar getuige daarmede aan haar woonhuis eenen slag op het voorhoofd toegebragt heeft, waaarvan zy gekwetst en verduizeld is geworden; dat de zoon van den Veldwachter, Andreas Vanderbeek en Peter Piskens alle hier te Vlodrop wonende zich daaromtrent bevonden hebben.

Na gedane voorlezing heeft de getuige nog bygevoegd dat zy zich met de hare handen verweerd en geenen stok gebruikt heeft en op de aanmerking dat de beklaagde weduwe Seuntjens een krabje op het hoofd heeft, verklaart de getuige dat dit krabje mogelyk by het afkeeren van de schup door dezelve aan de genoemde beklaagde is veroorzaakt geworden.

Na gedane herlezing heeft zy verklaard te volharden en uitgenoodigd om te teekenen heeft zy verklaard schryvens onervaren te zyn.

D. Sartorius

M.C. Anton J.C. Griffier


Getuigenverklaringen van de omwonenden A. van der Beek, P. Piskens en M. Bosch

Terug naar inventaris
17 april 1828

Op heden den zeventienden april 1800 acht en twintig, voor ons f. De Sartorius, Regter ter Instructie by de Regtbank van eersten aanleg over het arrondt Roermond, Provie limburg, vergezeld van onzen griffier, ingevolge ordonnantie dd gisteren, zyn verschenen de hierna te noemen getuigen in zaak tegen de weduwe Jan Seuntjens, helena Seuntjens, en Christiaan Seuntjens, wonende te Vlodrop, beklaagd van slagen en kwetsuren, welke getuige na hunne bekome Dagvaarding aan ons vertoond te hebben, afzonderlyk en buiten het bywezen van de beklaagden zyn gehoord geworden.

1ste [De eerste getuige] De eerste getuige heeft den eed afgelegd van de volkomene waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, met aanroeping: “zoo waarlyk helpe my god almagtig” en verklaart zich te noemen Andreas vanderbeek, oud 17 jaren, ongehuwd, Dienstknecht, wonende te Vlodrop, niet te zyn huisbediende noch nabestaande in bloede of door huwelyk van de beklaagden, en ter zake:

Dat hy op den twaalfden dezer maand na middag, zonder te weten hoe laat, met zynen meester Peter Piskens, van de heide afkomende, gezien heeft dat de beklaagde Christiaan Seuntjens eenen slag met eene schup aan de weduwe marks op het voorhoofd toegebragt heeft; dat zulks voorgevallen is kort aan het woonhuis van de weduwe Marks, welke dadelyk den weg naar de woning van den schepen Godefridus Kersten genomen heeft; dat hy getuige niet gezien heeft of de weduwe Marks bloedde, dewyl hy op het oogenblik van den voorval zich op eenen afstand van omtrent tien ellen van die plaats bevonden heeft, maar dat hy den weg welken de weduwe Marks genomen had, vervolgende, bloed op dien weg gezien heeft.

Op afvraging heeft verklaard dat hy de weduwe Marks niets heeft hooren roepen of zeggen, en dat hy de oorzaak of aanleiding van het voorgevallen niet weet; dat hy op het oogenblik van de mishandeling de weduwe Seuntjens niet gezien heeft, maar wel hare Dochter Helena, en dat hy deze niets heeft zien doen. Op verdere afvraging heeft verklaard, dat hy de zoon is van Christiaan vanderbeek, veldwachter der gemeente Vlodrop.

Na gedane voorlezing, heeft de getuige verklaard te volharden en niet te kunnen teekenen. D. Sartorius M.C. Anton J.C. Griffier


2de [De tweede getuige] De tweede getuige heeft den eed afgelegd van de volkomene waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, met aanroeping: “zoo waarlyk helpe my god almagtig”, en verklaart zich te noemen Peter Piskens, oud 28 jaren, gehuwd, akkerman, wonende te vlodrop, niet te zyn huisbediende noch nabestaande in bloede of door huwelyk van de beklaagden, en ter zake:

Dat hy op den twaalfden dezer maand na middag, zonder de uur te kunnen bepalen, vergezeld van zynen knecht andreas vanderbeek, met eene kar brand uit de heide gekomen is; dat hy omtrent het woonhuis van de weduwe Marks komende, deze laatstgenoemde daar uit heeft zien loopen al roepende: “Zy slaan my, Zy slaan my, en gy moet het my getuigen”; dat hy getuige niets anders ziende, voortgevaren is; dat echter zyn genoemde knecht een weinig achter gebleven is, en dus den slag wel licht kan hebben gezien; dat hy getuige naauwelyks dertig treden van het woonhuis der weduwe Marks verwyderd zynde, deze laatstgenoemde heeft zien langs komen en den weg naar de woning van den schepen Kersten nemen; dat hy toen gezien heeft dat de weduwe Marks zeer aan het hoofd bloedde, maar dat de zelve hem toen niets gezegd heeft; dat hy niets anders ter zake weet te verklaren.

Na gedane voorlezing, heeft hy verklaard te volharden en geteekend. Peter Piskens D. Sartorius


3de [De derde getuige] De derde getuige heeft den eed afgelegd van de volkomene waarheid, en niets dan de waarheid te zeggen, met aanroeping: “zoo waarlyk helpe my God almagtig”, en verklaart zich te noemen Michiel Bosch, oud omtrent 45 jaren, ongehuwd, akkerman, wonende te vlodrop; dat hy niet in dienst is van de beklaagden, maar dat hy en der beklaagden weduwe Seuntjens nigt en neefs kinderen zyn en ter zake:

Dat hy getuige op den twaalfden dezer maand omtrent vyf uren na middag, voor zyn woonhuis in de nabyheid van het woonhuis van de weduwe Marks, op straat staande, een gerucht binnen dit laatste huis gehoord heeft, waaruit hy ontnomen heeft, dat men zich daar in sloeg; dat kort daarna de weduwe marks en de weduwe Seuntjens het huis uitgekomen zyn, en beide aan het hoofd gebloed hebben; dat toen de weduwe Marks weg gegaan is, terwyl de weduwe Seuntjens in de huisdeur is blyven staan; dat hy ook de kinderen der weduwe Seuntjens heeft zien uitkomen, maar dat hy de zelve niets heeft zien doen.

Aan hem opgemerkt dat uit het voorgaande onderzoek blykt, dat de weduwe Marks buitens huis door Christiaan Seuntjens met eene schup aan het voorhoofd geslagen en gekwetst is geworden, en dat zy dus niet al bloedende uit het huis heeft kunnen komen. Heeft verklaard dat hy nogtans gezien heeft, dat de weduwe Marks bloedende uit het huis gekomen is; dat hy niet weet of zy aan het hoofd of aan den arm gebloed heeft; dat hy geene schup gezien heeft; dat het mogelyk is, dat Christiaan Seuntjens eenen slag aan de weduwe marks heeft toegebragt op een oogenblik, wanneer hy getuige naar eenen anderen kant gezien heeft; dat hy niets anders ter zake weet te verklaren.

Na gedane voorlezing heeft verklaard te volharden en geteekend. Michiel bosch D. Sartorius


Uitgebreide, beëdigde medische verklaring van dokter Dethier

Terug naar inventaris
22 mei 1828

Op heden den twee en twintigsten mei achttien honderd acht en twintig voor ons J.W. Binot, regter by de regtbank van eersten aanleg in het arrondissement Roermond, Provincie Limburg, vervangende krachtens ordonnantie, der raadkamer van gezeijde regtbank dd. 25 april jl den Heer Regter ter Instructie gedurende deszelfs afwezigheid vergezeld van den Heere Commies Griffier, ingevolge ordonnantie de dato gisteren is verschenen den hierna te noemen getuige in zaak de weduwe Seuntjens, Helena en Christiaan Seuntjens wonende te Vlodrop Beklaagden van slagen en kwetsuren, welke getuijge na zyne bekome dagvaarding aan ons vertoond te hebben afzonderlyk en buiten het bywezen van de beklaagden is gehoord geworden.

Hy heeft den eed afgelegd van de volkomene waarheid en niets dan de waarheid te zeggen onder aanroeping zoo waarlyk helpe mij god almagtig en heeft verklaard zich te noemen Emmanuel Dethier, oud zes en twintig jaren, ongehuwd, officier van gezondheid, wonende te Roermond, niet te zyn huisbediende noch na bestaande in bloede of door huwelijk van de beklaagde en ter zake:

Dat des gerequireerd hy den veertienden April laatstleden zich naar Vlodrop begeven, Anna Maria Delissen weduwe Marks, onderzocht, en bevonden heeft dat dezelve drie verscheidene wonden ontvangen had, te weten: ééne op de regter zÿde van het voorhoofd ter lengte van omtrent zes duimen doorsnydende de huid, de spieren, de slagader en de zenuwen (of nerven poas orbitaire genaamd), het bekkeneelvlies (pericranium) en een gedeelte van de buiten tafel van het os coronal; eene tweede wonde of groote kneuzing op het bovenste en buitenste gedeelte van den regter arm met een sterk gezwel, en eene ligte kneuzing op den linker voorarm;

Dat hy geene dezer wonden voor dodelyk geoordeeld heeft, echter wel voorzag dat dezelven niet vóór twee maanden of twee maanden en eene halve zouden genezen zyn; Dat hy den vyftienden loopende maand de weduwe Marks nogmaals onderzocht en bevonden heeft dat de kneuzing aan den linker arm teenemaal genezen was, dat die aan den regter arm niet meer gezwollen was, dat die aan het voorhoofd verre van hare genezing was;

dat de weduwe Marks klaagde over draging en duizeling in het hoofd hetgeen hem getuige deed vrezen dat het hersenvlies (meninges genoemd) geirriteerd zoude worden hetgene haar leven in gevaar zoude gebragt hebben, voor weinig haar toestand zich zoude verergerd hebben; Dat eindelyk gezegde weduwe Marks den vyftienden dezer nogmaals onderzocht en bevonden heeft dat de kneuzing aan den regter arm genezen was; Dat de wonde aan het voorhoofd goed uitzag en reeds begon zich te sluiten en in den tyd van twintig of dertig dagen geheelyk konde genezen zyn;

Dat echter de weduwe Marks wegens hare groote zwakheid gevolgd van de aan haar toegebragte slagen en kwetsuren, nog buiten staat was haren gewonen arbeid te doen; dat hy getuige nog thans zeker vermeent dat dezelve hare gewone bezigheden binnen eenige dagen zal kunnen hernemen.

Na gedane voorlezing heeft de getuige verklaard te volharden en heeft geteekend.

M. Binot Dethier M.C. Anton J.C. Griffier


Persoonsbeschrijvingen van de verdachten uit het Arrest van de Kamer van Beschuldiging

Terug naar inventaris
10 juni 1828

Buysers volgens hare opgave oud 46 Jaren, weduwe van Jan Seuntjens, dagloonster, geboren en wonende te Vlodrop, lang Een el zes palmen, haar en wenkbraauwen grijs, voorhoofd laag, oogen grijs, neus klein, mond middelmatig, aangezigt langwerpig, kleur gezond;

Helena Seuntjens, volgens hare opgave oud 14 Jaren, ongehuwd, zonder beroep, geboren te Budel, Noord Brabant, wonende te Vlodrop, lang Een el, vier palmen, zes strepen, haar en wenkbraauwen blond, voorhoofd laag, oogen bruin, neus en mond middelmatig, aangezigt langwerpig, kleur gezond;

en Christiaan Seuntjens, volgens zyne opgave oud 13 Jaren, ongehuwd, zonder beroep, geboren en wonende te Vlodrop, lang Een el, drie palmen, drie strepen, haar en wenkbraauwen bruin, voorhoofd laag, oogen grijs, neus en mond klein, aangezigt langwerpig, kleur bleek,

alle drie thans gedetineerd in het huis van Arrest alhier, bij den tyde gevat en overgebragt zullen worden, in het huis van justitie, tot welk door het Hoog Geregtshof zal worden aangewezen.

Maria Catharina was 1,60 meter lang met grijs haar en grijze ogen. Helena was 1,40 m en 6 millimeter met blond haar en bruine ogen, en de 13-jarige Christiaan was 1,30 m en 3 millimeter, had bruin haar en zag nogal bleek.

Heden den zevenden Julij achttien honderd acht en twintig, ter requisitie van het openbaar Ministerie, heb ik ondergeteekende W. Marie Breukers, Deurwaarder bij de Regtbank van eersten aanleg te Maastricht fungerende bij het hof van Assises der Provincie Limburg, wonende te Maastricht, behoorlijk gepatenteerd, de vorenstaande Naamlijst der getuigen beteekend aan de beklaagde 1o Maria Catharina Buysers, 2o Helena Seuntjens, en 3o Christiaan Seuntjens gedetineerd in het Huis van Justitie dezer Provincie, en hen daar van afschrift gelaten, sprekende tot hunne personen zelve. De kosten zijn 94 Centen W. Breukers


Akte van Beschuldiging, opgemaakt te Luik/Maastricht

Terug naar inventaris
20 juni 1828

De ondergeteekende Substituut van den Procureur Generaal bij het hooge geregtshof van Luik, Procureur Crimineel des Konings der Provincie Limburg, draagt voor, dat bij arrest van den tienden junij 1800 acht en twintig het Hof, 1o, Maria Catharina Buijsers, weduwe Jan Seuntjens, volgens hare opgave oud 46 jaren, Dagloonster geboren en wonende te Vlodrop, 2o, Helena Seuntjens volgens hare opgave oud 14 jaren, geboren te Budel (: noord braband :), 3o, Christiaan Seuntjens volgens zijne opgave oud 13 jaren, geboren te Vlodrop, de beide laatsten kinderen der eerstgenoemde, zonder beroep en bij hunne moeder te Vlodrop inwonende, in staat van beschuldiging gesteld en hen voor het Hof van assises der Provincie Limburg, ten einde aldaar ingevolge de wet beoordeeld te worden verzonden heeft.

Hij Verklaart ingevolge gemeld arrest dat de processale akten de volgende feiten opleveren: Dat de drie beklaagden te zamen met zekere Anna Maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, en haar Dochtertje Geertruid Marks, oud zeven jaren, in de gemeente Vlodrop in en hetzelfde huis wonen.

Dat in den namiddag van den 12 april ll:, tusschen vier en vijf ure, de weduwe Marks zich in een naburig huis bevindende, haar voormeld Dochtertje in hare woning heeft hooren schreeuwen. Dat zij daar op naar huis gegaan zijnde, gezien heeft dat haar Dochtertje door den beklaagden Christiaan Seuntjens, zoon, met de hand of vuist geslagen wierd. Dat zij alsdan, om haar kind te bevrijden, eenen ligten slag aan Christiaan Seuntjens met de hand gegeven heeft.

Dat hier op de beklaagde weduwe Seuntjens uit eene naastgelegene door haar bewoonde kamer, op de weduwe Marks aangeloopen is, en aan dezelve met eene heep eenen slag op de regter schouder heeft toegebragt. Dat te gelijker tijd de beklaagde Helena Seuntjens, Dochter, voornoemde weduwe Marks met eene schup op den linker arm geslagen heeft. Dat om de verdere slagen, welke de Dochter Seuntjens haar wilde toebrengen, af te keeren, de weduwe Marks zich met haren linker arm verweerd heeft en de schup heeft doen nedervallen.

Dat de weduwe Marks toen dezelve opgeraapt heeft, en daar mede heeft willen slaan uit vrees van verdere mishandeling; dan dat aan de huisdeur gekomen zijnde, deze schup haar door Christiaan Seuntjens, zoon, die haar opgewagt had, terug gevraagd is geworden. Dat de wed: Marks de schup aan Seuntjens, zoon, teruggegeven hebbende, deze haar niet dralende digt bij haar woonhuis, eenen slag op het voorhoofd heeft toegebragt, waardoor zij gekwetst en verdoofd geraakt is, en dat zulks door zekeren Andreas Van der Beek, Dienstknecht bij Peter Piskens te Vlodrop, en die aldaar in het zelfde oogenblik met zijnen meester voorbij kwam, gezien is geworden.

Dat de weduwe Marks ten gevolge dezer geweldplegingen, onderscheidene verwondingen bekomen heeft, welke op den 14 der gezegde maand april door den heelmeester Dethier, van Roermond onderzocht zijnde, bevonden zijn als volgt; te weten: 1o, eene wonde ter regter zijde van het voorhoofd, van eene half cirkel ronde gedaante, ter lengte van omtrent zes duimen, doorsnijdende de huid, de spieren, de slagader en de zenuwen (: Sus-orbitaires genoemd :), alsmede het bekkeneel vlies (: Pericranium 🙂 en een gedeelte der buitentafel van het os coronal: welke wonde door een snijdend werktuig scheen veroorzaakt te zijn. 2o, eene tweede wonde of groote kneuzing met een sterk gezwel, op het bovenste en buitenste gedeelte van den regter arm. 3o, eene ligte kneuzing aan den linker voorarm.

Dat men van den beginne af dezer verwondingen, of schoon uit haar zelve niet doodelijk zijnde, van den aard bevonden zijn dat tot derzelver genezing den tijd van twee ad twee en eenen halven maand gevorderd zoude worden; terwijl overigens blijkt uit de geregtelijke verklaring afgelegd door den heelmeester Dethier op den 22 mei j:l: Dat op dit tijdstip (: omtrent 40 dagen na het voorval 🙂 de weduwe Marks door de gevolgen der aan haar toegebragte kwetsuren, alsnog buiten staat was om haren gewonen arbeid te kunnen verrigten.

Dat de drie beklaagden in hunne verhooren voor den instructie Regter respectievelijk hebben opgegeven: namelijk.

  1. De weduwe Seuntjens, Dat in den namiddag van 12 april ll: haar zoontje Christiaan het kind van de weduwe Marks met de hand op enen arm geslagen had. Dat dit kind zeer geschreeuwd hebbende, zij beklaagde toen haar zoontje geslagen heeft om hem te straffen. Dat vervolgens de weduwe Marks bijgekomen zijnde, haren zoon Christiaan met eenen stok geslagen heeft. Dat daarop zij beklaagde van hare kamer afgekomen zijnde, om tusschen beiden te gaan, door de weduwe Marks bij het hoofd gevat en ter aarde is geworpen. Dat zij niet met eene heep gewapend geweest is. Dat zij zich enkeljk met hare handen tegen de weduwe Marks verweerd heeft; dat hare Dochter ook niet gewapend geweest is, en dat alleenlijk haar zoon Christiaan zich van de schup, waarmede de wed: Marks haar beklaagde het eerst op het hoofd geslagen had bediend heeft gehad om haar te verdedigen. Eindelijk, dat zij voor omtrent twee jaren geleden, door de Regtbank van Roermond, tot eene gevangenzetting van drie dagen, wegens Stroperij veroordeeld is geweest.
  2. Helena Seuntjens, Dochter. Dat zij geene mishandelingen jegens de weduwe Marks gepleegd heeft. Dat hare Moeder ook gemelde Weduwe Marks met geene heep geslagen heeft, maar alleen de schup uit handen dezer laatste genomen en daarmede zich verweerd heeft. Dat het waar is dat haar broeder Christiaan de weduwe Marks met eene schup geslagen heeft, welke schup deze laatste hem had overgegeven, na dezelve te hebben opgeraapt terwijl hare moeder ter aarde lag.
  3. Christiaan Seuntjens, zoon. Dat hij de weduwe Marks met eene schup geslagen heeft om zijne Moeder te helpen, vermits gemelde weduwe zijne Moeder met dezelfde schup geslagen en ter aarde geworpen had. Dat de weduwe Marks, na zijne moeder te hebben geslagen, de schup had weggeworpen en dat zijne moeder noch zuster de wed: Marks niet geslagen hebben.

Dat de heep en schup waarvan hier voren gewag gemaakt is, als stukken van overtuiging ten Processe zijn overgebragt, en door de beklaagden respectievelijk erkend zijn geworden, als aan de beklaagde wed: Seuntjens toebehoorende. Dat dezelve weduwe, even als haar zoon Christiaan, beweerd hebben dat niemand, bij de voorhandige gelegenheid zich van de heep bediend heeft gehad: dan dat de zoon Seuntjens er bijgevoegd heeft, dat deze heep in eenen stok aan den wand stak, dat de wed: Marks naar de schup grijpende, tegen de heep gestooten heeft, en dat dezelve alsdan op den schouder der voorzeide weduwe Marks afgevallen is.

Dat omtrent het vorig gedrag der beklaagden niets bijzonders ten Processe bekend is geworden.

Dieningevolge worden Maria Catharina Buijsers, weduwe Jan Seuntjens, Helena Seuntjens, en Christiaan Seuntjens beschuldigd van gezamentlijk, op den twaalfden april 1828, ’s namiddags, in de Gemeente Vlodrop, door middel van eene heep en van eene schup, verscheidene slagen en kwetsuren aan Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks, Dagloonster te gezegde Vlodrop, te hebben toegebragt: uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is.

Gedaan op het Parket te Maastricht, den twintigsten Junij Achttien honderd acht en twintig.

(w.g.) D. Ms.


Requisitoir van de Procureur-Crimineel

Terug naar inventaris
28 juni 1828

WIJ PROCUREUR-CRIMINEEL DES KONINGS bij het Hof van Assises en bij het Speciaal Geregtshof der Provincie Limburg, Gezien hebbende het Regtsgeding gevoerd tegen 1o Maria Catharina Buysers, weduwe van Jan Seuntjens, dagloonster; 2o en 3o Helena en Christiaan Seuntjens, kinderen der eerstgenoemde, beiden zonder beroep, alle wonende te Vlodrop; beklaagd van geweldplegingen begaan in den namiddag van 12 april 1828, in de gemeente Vlodrop, jegens de persoon van Anna Maria Delissen, weduwe Rutgerus Marks, ten gevolge van dien eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ondergaan heeft.

Gezien bijzonderlijk het arrest van het Hoog Geregtshof, zitting houdende te Luik, waar bij de zaak is verzonden geworden naar het hof van assises dezer Provincie: requireren dienvolgens Mijn Heer den President van het laatstgemelde Hof ten einde dag en ure te willen bepalen tot de teregtsitting in dewelke de hier na genoemde getuigen gedagvaard zullen worden, om te verschijnen, en aldaar hunne verklaringen af te leggen over de daadzaken en omstandigheden welke hun als dan zullen worden voorgehouden.

NAMELIJK:

  1. Anna Maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te Vlodrop.
  2. Andreas Vanderbeek, dienstknecht, te Vlodrop.
  3. Peter Pickens, akkerman te Vlodrop.
  4. Michiel Bosch, akkerman te Vlodrop.
  5. Emmanuel Dethier, Officier van gezondheid te Roermonde.

Gedaan te MAASTRICHT, den 28 Juny 1828 (Handtekening)


Bevelschrift van de President ter bepaling van de zittingsdatum

Terug naar inventaris
28 juni 1828

WIJ PRESIDENT van het Hof van Assisen der Provincie Limburg, Gezien het ommestaande Requisitoir: Bepalen de teregtsitting op Dingsdag den 8e July 1828, ten Acht ure voormiddag. Lasten en bevelen aan alle Deurwaarders en Agenten der gewapende magt, de getuigen in hetzelve Requisitoir opgenoemd te dagvaarden, om op gezegde dag en ure te verschijnen voor het gemeld hof van assisen ter gewoner plaatse van deszelfs zittingen, op de Tongersche-straat te Maastricht, ten einde aldaar hunne verklaringen te doen aangaande de daadzaken en omstandigheden welke aan hen zullen worden voorgesteld. Gedaan en bevolen te Maastricht, den 28 Juny 1828 Voor de President van het Hof van Assisen De President by de Regtbank van 1en aanleg Zitting houdende te Maastricht (Handtekening)


Dagvaarding van de getuigen door de deurwaarder

1 juli 1828

DAGVAARDING. In den Jare achttien honderd acht en twintig, den eersten der maand July, verklaar ik ondergeteekende Pieter Mathis Custers Deurwaarder, aangenomen bij de Regtbank te Roermonde ter residentie Roermonde, behoorlijk gepatenteerd, ter requisitie van het openbaar Ministerie en krachtens het vorenstaande Bevelschrift, gedagvaard te hebben de getuigen, opgenoemd in het ommestaande Requisitoir, te weten;

1o Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks dagloonster te Vlodrop woonachtig in hare woning sprekend met hare persoon – 2 Andreas Vanderbeek dienstknecht te Vlodrop woonachtig sprekend met zyn persoon – 3 Peter Pickens akkerman te Vlodrop woonachtig sprekend met zyn persoon – 4 Michiel Bosch akkerman te Vlodrop woonachtig sprekend met zyne zuster anna Catharina Bosch – 5 Emanuel Dethier, officier van gezondheid te Roermonde woonachtig sprekend met zyne persoon –

om persoonlijk te verschijnen ter plaatse der zittingen van bovengemeld hof van assisen op Dingsdag den 8 July 1828, ten acht ure voormiddag, om getuigenis der waarheid te geven nopens hetgeen hun zal worden voorgehouden; en op dat de voornoemde getuigen hier van geene onwetenheid zouden kunnen voorwenden, heb ik aan dezelve, sprekende als voor, afschrift gelaten van het voorzeide Bevelschrift en van mijn tegenwoordig relaas. De kosten zijn Twee guldens 83 cents. P. M. Custers


Laatste formele verhoor van de verdachten in Maastricht

Terug naar inventaris
1 juli 1828

Propositie

In den Jare een duizend acht honderd acht en twintig, den eersten July.

Wy Mr. G.J.H. Stas, regter by de Regtbank Van eersten aanleg zitting houdende te Maastricht, Provincie Limburg, ten dezen benoemd door den heer President by voorgemelde regtbank, functie doende Van President Van het hof der assises dezer Provincie by afwezendheid Van denzelven; bygestaan door den Hr. griffier K.A.S. Berhaut hebben ons begeven in het huis Van Justitie by voormeld hof, ten einde de hierna genoemde beklaagden te Verhooren; alwaar zynde, zyn dezelve achtervolgens den eenen na den anderen Voor ons geleid geworden, en hebben op onze Vragen geantwoord als volgt, te weten:

De eerste

Vrage: Welk is uw naam, Voornaam, ouderdom, beroep, geboorte en woonplaats? Antwoord: Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens, oud 46 jaren, dagloonster, geboren en wonende te Vlodrop.

V.: Gy zyt beschuldigd van gezamentlyk met uwe kinderen helena Seuntjens en Christiaan Seuntjens, op den twaalfden april 1828, ’s namiddags, in de gemeente Vlodrop, door middel van eene heep en van eene schup, verscheidene slagen en kwetsuren aan anna maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te gezegde Vlodrop, te hebben toegebragt; uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is. Wat hebt gy hier op te antwoorden? A.: Dat het onwaar is dat zy aan de weduwe Rutgerus Marks slagen zoude toegebragt hebben; dat de vrouw Marks bezig zijnde met het zoontje van haar beklaagde te slaan, zij tusschenbeide gegaan is en alsdan den gezegde weduwe Marks by het hoofd gevat en ter aarde geworpen is geworden; dat zy en door deze eenen slag met eene schup op het hoofd bekomen heeft, waardoor zy eene wonde heeft ontvangen; dat haar voornoemde zoon Christiaan, daarop zich van dezelve schup meester gemaakt heeft, om hare beklaagde te verdedigen en alsdan eenen slag met dezelve aan gezegde weduwe Marks toegebragt heeft.

V.: Zyt gy meermalen door de justitie gestraft geweest? A.: Dat zy over twee jaren geleden wegens stropery door de Regtbank van Roermond in eene gevangenis van drie dagen is veroordeeld geweest.

V.: Hebt gy eenen raadsman verkozen om u in uwe verdediging by te staan? A.: Neen, en hebben wy ex officio daartoe benoemd Mr. Schoonmaeckers, advokaat alhier ter stede.

Wy hebben aan de beschuldigde bemerkt dat ingeval zy grond mogt meenen te hebben om eene vordering tot nietig verklaring te doen zy binnen de vijf eerstvolgende dagen zich verklaren moet en na verloop van dien tyd daartoe niet meer ontvankelyk zyn zal.

K.A.S. Berhaut / G.J.H. Stas

Na gedane voorlezing heeft de beklaagde by hare antwoorden volhard, verklaardende niet te kunnen schryven, des wedervraagd, en hebben wy en de griffier geteekend. K.A.S. Berhaut / G.J.H. Stas

De tweede

Vrage: Welk is uw naam, Voornaam, ouderdom, beroep, geboorte en Woonplaats? Antwoord: Helena Seuntjens, oud 14 jaren, geboren te Budel (Noord Braband) zonder beroep, wonende by hare moeder te Vlodrop.

V.: Gy zyt beschuldigd van gezamentlyk met uwe moeder maria catharina Buysers, weduwe jan seuntjens en uwen broeder christiaan seuntjens; op den twaalfden april 1828, ’s namiddags, in de gemeente Vlodrop, door middel van eene heep en van eene schup, verscheidene slagen en kwetsuren aan anna maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te gezegde Vlodrop, te hebben toegebragt; uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is. Wat hebt gy hier op te antwoorden? A.: Dat zy de weduwe Marks hoegenaamd niet geslagen heeft; dat hare moeder dezelve ook niet heeft geslagen, dan dat de weduwe Marks hare moeder met eene schup heeft willen slaan; dat haar broeder christiaan de schup gekregen hebbende, hare moeder verdedigd heeft en alsdan aan gezegde weduwe Marks eenen slag met die schup toegebragt heeft, terwyl hare moeder ter aarde lag.

V.: Zyt gy meermalen door de justitie gestraft geweest? A.: Nimmer.

V.: Hebt gy eenen raadsman verkozen om u in uwe verdediging by te staan? A.: Neen, en hebben wy ex officio daartoe benoemd Mr. Schoonmaeckers, advokaat alhier ter stede.

Wy hebben aan de beschuldigde bemerkt dat ingeval zy grond mogt meenen te hebben om eene vordering tot nietig verklaring te doen zy binnen de vijf eerstvolgende dagen zich verklaren moet en na verloop van dien tyd daartoe niet meer ontvankelyk zyn zal. Na gedane voorlezing heeft de beklaagde by hare antwoorden volhard, verklaardende niet te kunnen schryven, des wedervraagd, en hebben wy en de griffier geteekend. K.A.S. Berhaut / G.J.H. Stas

De derde

Vrage: Welk is uw naam, Voornaam, ouderdom, beroep, geboorte en woonplaats? Antwoord: Christiaan Seuntjens, oud 13 jaren, zonder beroep, geboren te Vlodrop en wonende aldaar by zyne moeder.

V.: Gy zyt beschuldigd van gezamentlyk met uwe moeder maria catharina Buysers, weduwe jan Seuntjens en uwe zuster helena Seuntjens, op den twaalfden april 1828, ’s namiddags, in de gemeente Vlodrop, door middel van eene heep en van eene schup, verscheidene slagen en kwetsuren aan anna maria Delissen, weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te gezegde Vlodrop, te hebben toegebragt; uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is. Wat hebt gy hier op te antwoorden? A.: Dat hy bekennen moet eenen slag met eene schup aan de weduwe Marks toegebragt te hebben; terwyl dezelve op zyne moeder lag en dezelve mishandelde, en alreeds aan zyne gezegde moeder met die schup een gat in het hoofd geslagen had, dat daarop de vrouw Marks die schup weggeworpen hebbende, hy dezelve opgeraapt heeft om zyne moeder te verdedigen, dat zyne moeder noch zyne zuster de vrouw Marks niet geslagen hebben.

V.: Zyt gy meermalen door de justitie gestraft geweest? A.: Nimmer.

V.: Hebt gy eenen raadsman verkozen om u in uwe verdediging by te staan? A.: Neen, en hebben wy ex officio daartoe benoemd Mr. Schoonmaeckers, advokaat alhier ter stede.

Wy hebben aan de beschuldigde bemerkt dat ingeval hy grond mogt meenen te hebben om eene vordering tot nietig verklaring te doen hy binnen de vijf eerstvolgende dagen zich verklaren moet en na verloop van dien tyd daartoe niet meer ontvankelyk zyn zal.

Na gedane voorlezing heeft de beklaagde by zyne antwoorden volhard, verklaardende niet te kunnen schryven, des wedervraagd, en hebben wy en de griffier geteekend. K.A.S. Berhaut / G.J.H. Stas


De Minuten van Arresten (het Vonnis) uitgesproken door het Hof van Assisen in Maastricht

Terug naar inventaris
8 juli 1828

Het Hof van Assises der Provincie Limburg, heeft het volgende arrest gegeven Tegen Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens, oud 46 Jaren, dagloonster, geboren en wonende te Vlodorp. Helena Seuntjens, oud 14 Jaren, geboren te Budel (Noord Braband) zonder beroep, wonende by hare moeder te Vlodorp. Christiaan Seuntjens oud 13 Jaren zonder beroep, geboren te Vlodorp en wonende aldaar by zyne moeder.

Gezien door het Hof het arrest gegeven door het Hoog geregtshof te Luik den 10 Juny jl, behelzende beschuldiging en renvooi van voorn: Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens, Helena Seuntjens en Christiaan Seuntjens.

Insgelyks gezien de akte van beschuldiging gemaakt den 20 Juny jl door den Substituut van den Procureur Generaal by het Hoog Geregtshof te Luik Procureur Crimineel des Konings in de Provincie Limburg ter uitvoering van het voorschrevene arrest welke akte van beschuldiging eindigt door het volgende resumé:

Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens, Helena Seuntjens en Christiaan Seuntjens, beschuldigd van gezamentlyk op den twaalfden April 1828, ’s namiddags in de gemeente Vlodorp, door middel van eene heep en van eene schup; verscheidene slagen en kwetsuren aan Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te gezegde Vlodorp te hebben toegebragt; uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is.

Het hof gezien zyne verklaring gedaan op de vraagpunten voorgesteld door den Heere Procureur Crimineel des Konings en aldus luidende:

Zyn de beschuldigden Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens, Helena Seuntjens en Christiaan Seuntjens, schuldig van gezamentlyk op den twaalfden April 1828, ’s namiddags in de gemeente Vlodorp door middel van eene heep en van eene schup verscheidene slagen en kwetsuren aan Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks, dagloonster te gezegde Vlodorp te hebben toegebragt; uit welke gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ontstaan is?

2e Vrage. Heeft de beklaagde Christiaan Seuntjens in het plegen der misdaad in de vorige vrage vermeld met oordeel des onderscheids gehandeld.

3e Vrage. Zyn de slagen en wonden in de vorige vrage vermeld door slagen of zware gewelddadigheden op de personen van de beklaagden verwekt of geprovoceerd geworden.

Het antwoord van het Hof is op de 1e Vrage: Ja de beschuldigden Maria Catharina Buysers, weduwe Jan Seuntjens en hare zoon Christiaan Seuntjens zyn beide schuldig aan het plegen der misdaad met alle de omstandigheden in de voorstelling der 1e vrage begrepen; en de beschuldigde Helena Seuntjens is schuldig van op denzelfden dag en plaatse door middel van eene schup, eene kwetsuur op de persoon van Anna Maria Delissen weduwe van Rutgerus Marks te hebben toegebragt doch zonder de bezwarende omstandigheid van beletsel van te werken van meer dan twintig dagen.

Het antwoord van het Hof op de tweede vrage is: Ja de beschuldigde Christiaan Seuntjens, heeft in het plegen der misdaad in de vorige vrage vermeld, met oordeel des onderscheids gehandeld.

Het antwoord van het Hof op de derde vrage is: Neen, de slagen en wonden in de vorige vrage vermeld zyn niet door slagen of zware gewelddadigheden op de personen van de beklaagden verwekt of geprovoceerd geworden.

Gehoord den eisch en de Conclusien van den Procureur Crimineel des Konings, en die van de beschuldigden Maria Catharina Buysers, weduwe van Jan Seuntjens, Helena Seuntjens en Christiaan Seuntjens by gestaan door Mr van Cauberg, advokaat hunnen raad tot toepassing der straffe.

Gezien de art 309. 21. 36. 47. 44. 67. 311 en 55 van het wetboek des strafregts; Art. 1 van het Besluit van Z. M. de dato 7 September 1814 art: 368 van het wetboek van Strafvordering voorgelezen en aldus luidende

Wetboek des Strafregts

Art: 309 Met het tuchthuis zal gestraft worden, al wie iemand kwetsuren, slagen of stooten toegebragt zal hebben, ingeval uit deze gewelddadigheid eene ziekte of beletsel van te werken ontstaan is van meer dan twintig dagen.

Art: 21. Elk veroordeelde tot de straf van het tuchthuis, zoo van de eene als andere kunne, zal in een tuchthuis opgesloten, en gebruikt worden tot arbeid waarvan de opbrengst gedeeltelyk ten zynen bate zal mogen besteed worden zoo als dat door de hooge regering zal worden geregeld. Deze straf zal ten minste vyf ten hoogste tien Jaren duren.

Art: 36. Alle vonnissen houdende doodstraf, straffe van eeuwigen dwangarbeid, van dwangarbeid voor eenen tyd, van wegruiming naar een oord van ballingschap, tuchthuisstraffe, de kaak, verbanning, of ontzetting van burgerschapsregten, zullen by wege van uittreksel gedrukt worden. Zy zullen aangeslagen worden in de hoofdstad van het Departement, in de stad waar het vonnis gewezen is, in de gemeente der plaats waar het feit gepleegd is, in die waar het vonnis ter uitvoer gelegd wordt en in die waar de veroordeelde zyne woonstede heeft.

Art: 47. De veroordeelden tot dwangarbeid voor eenen tyd en tot het tuchthuis, zyn na hunne straf ondergaan te hebben van regts wege en voor geheel hun leven onder het toezigt der hooge staats politie.

Art: 44. Wanneer iemand onder het toezigt van de hooge politie van den staat gesteld is, wordt daar door de hooge regering, gelyk ook de daar by belang hebbende party, geregtigd, om, tot zy van den persoon wien dit overkomen is, na dat hy zyne straf ondergaan zal hebben, het zy ingeval hy minderjarig is, van zynen vader en zyne moeder zynen voogd of Curator, eenen deugdelyken Borgtogt voor zyn goed gedrag te vorderen, ten bedrage van zoodanige sommen gelds, als by het vonnis of geregts bepaald zal zyn. Tot het verstrekken van dezen Borgtogt zal ieder toegelaten mogen worden. By gebreke van dezen Borgtogt te stellen, blyft de veroordeelde ter beschikking van de hooge regering, die het regt heeft, om het zy zyne persoonlyke verwydering van zekere plaats, het zy zyn aanhoudend verblyf op eene bepaalde plaats binnen een der Departementen van het Ryk te bevelen.

Art. 67. Zoo het uitgemaakt is, dat hy met oordeel des onderscheids gehandeld heeft, zullen de straffen uitgesproken worden als volgt. Indien hy in de doodstraf, de straf van eeuwigen dwangarbeid of van wegruiming naar een oord van ballingschap vervallen is, zal hy tot de straf eener tien- tot twintigjarige gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden. Indien hy in de straf van dwangarbeid voor eenen tyd of in die van het tuchthuis vervallen is, zal hy tot gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden voor een derde op het minste, en voor de helft op het hoogste, van den tyd waar voor hy tot eene dezer straffen had mogen veroordeeld worden. In alle deze gevallen zal hy by het vonnis voor vyf Jaren ten minste, en ten hoogste voor tien Jaren, onder het toezigt der hooge politie gesteld mogen worden. Indien hy in de straf van de kaak of van de verbanning vervallen is, zal hy tot gevangenzetting in een verbeterhuis, voor den tyd van Een tot vyf Jaren veroordeeld worden.

Art 311 Wanneer de kwetsuren of slagen geenerlei ziekte of beletsel van te werken als by art 309 gemeld veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van een maand tot twee Jaren, en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden. Ingeval van voorbedachten rade of overnachtigden aanval zal de gevangenzetting zyn van twee tot vyf Jaren, en de geldboete van vyftig tot vyf honderd franken.

Art: 55 Allen die wegens een misdaad of wanbedryf veroordeeld worden, zullen in de persoon en voor het geheel voor de boeten teruggave, schaden en interessen en kosten aansprakelyk zyn.

Besluit van Z. M. d. d. 7 7ber 1814

Art. 1. In alle de gevallen, alwaar het thans in werking zynde Code pénal, de straf van reclusie bepaald, zullen dehoven de bevoegheid hebben, wanneer de omstandigheden zoodanig zyn, dat dezelve eenigermate verontschuldiging verdienen, die straf opteleggen, zonder dezelve door openbare ten toonstelling vooraf te laten gaan of zelfs, om de straf van gevangenis, voor niet minder dan acht dagen opteleggen wanneer de toegebragte schade de som van vyftig franken niet te boven gaat.

Wetboek van Strafvordering

Art 368 De beschuldigde, of de Civile party, die in het ongelyk gesteld wordt zal in de kosten verwezen worden, zoo jegens den staat, als jegens de andere party.

Veroordeelt de beschuldigde Maria Catharina Buysers, weduwe van Jan Seuntjens tot de straf van het tuchthuis voor den tyd van Vyf Jaren. En aangesien dater verzachtende omstandigheden ten voordele van gemelde weduwe Jan Seuntjens, bestaande zyn. Ontslaat haar van de voorafgaande openbare ten toonstelling aan de kaak. Veroordeelt den beschuldigden Christiaan Seuntjens tot de straf van gevangenzetting in een verbeterhuis voor den tyd van drie Jaren; Veroordeelt verder de beschuldigde Helena Seuntjens tot de straf van gevangenzetting voor den tyd van Een Jaar en in eene geldboete van Acht gulden. Veroordeelt de drie voornoemde solidairement in de kosten jegens den staat vereffend ter somme van Zeven en Zeventig guldens zeven en dertig en eenen halven cents. Bepaalt den borgtogt te stellen door de veroordeelde weduwe Jan Seuntjens ter somme van Vyftig guldens; Beveelt dat het tegenwoordige arrest by wege van uittreksel gedrukt, en aan de door de wet bepaalde plaatsen aangeslagen zal worden.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare audientie van het hof van Assises te Maastricht den achtsten Julij 1800 acht en twintig, Tegenwoordig de Heeren De Limpens Raadsheer by het Hoog Geregtshof te Luik President Van Regtswege, Vice President by de Regtbank van 1en aanleg zitting houdende te Maastricht, F.W.B. Baron van de Olne, W.E. de Selys Fanson Regters by gemelde Regtbank, J.N.J. Heusschen Procureur Crimineel des Konings en K.A.S. Berhaut Commies-Griffier.

Terug naar inventaris

Parenteel vanaf Maria Catharina Busser (Buysers)

Terug naar inventaris

De exacte locatie toen en nu

Dankzij de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) van het eerste Kadaster uit 1832 is de exacte plaats delict terug te vinden. Het drama speelde zich af in de buurtschap Etsberg, even ten noorden van het dorp Vlodrop. Het gedeelde huis van de weduwes Marks en Seuntjens stond op het toenmalige kadastrale perceel C-310, direct naast de woning van buurman Ruth van der Beek op perceel C-311. Wie deze oude perceelgrenzen over een moderne landkaart legt, komt uit bij het huidige adres Klifsbergweg 12. Hoewel de oorspronkelijke lemen boerderij allang is verdwenen, is de historische grond waarop dit Vlodropse familiedrama zich afspeelde na bijna tweehonderd jaar nog altijd feilloos aan te wijzen.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, MIN11118C01
Klik op de kaart voor de volledige versie

Terug naar inventaris

De zaak in de pers

Verslag van het Hof van Assisen (Juli 1828)

Bron: Journal de la province de Limbourg, editie 12 juli 1828. Oorspronkelijk Franstalig krantenbericht over de rechtszaak tegen de familie Seuntjens. Geraadpleegd via Delpher.

De zaak waarover het hof zich tijdens deze zitting moest buigen, bood wederom het bedroevende schouwspel van een moeder die, in plaats van haar kinderen het voorbeeld van gematigdheid en zachtmoedigheid te geven, zich in hun bijzijn overgeeft aan ernstige uitspattingen, en hen meesleept in haar misdaad en in haar straf. Ziedaar de onvermijdelijke gevolgen van onwetendheid en een gebrekkige opvoeding!

Op 12 april jongstleden hoorde de weduwe Marks, die te Vlodrop in het arrondissement Roermond hetzelfde huis bewoont als de weduwe Seuntjens, haar 7-jarige dochter schreeuwen in de kamer van laatstgenoemde. Het was de zoon Seuntjens, 14 jaar oud, die haar sloeg. Nauwelijks had de weduwe Marks bij wijze van bestraffing een lichte tik aan de jongen uitgedeeld, of zij zag zich aangevallen door zowel hem, als door zijn moeder en zijn zus Hélène. Een ongelijke strijd ontbrandt, en terwijl Hélène met een schop op de weduwe Marks inslaat, deelt haar moeder haar een klap met een soort hakmes uit op de rechterschouder.

Na enige inspanningen weet de weduwe Marks zich los te rukken, slaat op de vlucht en neemt de schop mee die zij had weten te bemachtigen. De zoon Seuntjens, die haar achtervolgt, eist de schop op enige afstand van het huis terug. Zij denkt niets meer te vrezen te hebben en overhandigt het werktuig. Zodra deze kleine verrader het in handen heeft, deelt hij de ongelukkige vrouw een zodanig harde klap op het hoofd uit, dat het schedelbot werd geraakt, en het ongetwijfeld zou zijn gespleten als de richting van de klap niet schuin was geweest.

De arts die was belast met het onderzoeken van de weduwe Marks, oordeelde op het eerste gezicht dat er meer dan tweeënhalve maand nodig zou zijn voor haar genezing, zo ernstig waren de verwondingen, en het resultaat heeft uitgewezen dat hij gelijk had.

Het hof heeft de drie beklaagden schuldig verklaard, en heeft de moeder Seuntjens veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis zonder openbare tentoonstelling, de zoon tot drie jaar van dezelfde straf vanwege zijn jeugdige leeftijd, en met toepassing van art. 67 van het strafwetboek, en de dochter tot één jaar eenvoudige gevangenisstraf.

Terug naar inventaris

In het Nieuws: Verslag van het Hof van Assisen

Bron: L’éclaireur : journal politique, commercial et littéraire de Maestricht, editie 12 juli 1828. Oorspronkelijk Franstalig krantenbericht over het vonnis van de familie Seuntjens. Geraadpleegd via Delpher.

Zitting van 8 juli. — Een beschuldiging van ernstige geweldsplegingen, waaruit een ziekte zou zijn voortgevloeid met een arbeidsongeschiktheid van meer dan twintig dagen, bracht de volgende personen voor de rechtbank: Marie Catherine Buysers, weduwe van Jean Seuntjens, 46 jaar oud, dagloonster wonende te Vlodrop, Hélène Seuntjens, 14 jaar oud, en Chrétien Seuntjens, 13 jaar oud, kinderen van eerstgenoemde.

Het hof heeft de moeder en de zoon schuldig verklaard aan het hun ten laste gelegde feit, en heeft de eerste veroordeeld tot 5 jaar tuchthuis, met vrijstelling van de [publieke] tentoonstelling, krachtens het besluit van 9 september 1814; de tweede tot een gevangenisstraf van 3 jaar in een huis van bewaring, krachtens artikel 67 van het wetboek van strafrecht. De dochter, die louter schuldig werd bevonden aan het plegen van gewelddadigheden zonder verzwarende omstandigheden, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

Terug naar inventaris

👉 Vind hier het volledige dossier met de originele processtukken (pdf, 62 MB).
👉 Lees hier een verhaal gebaseerd op onderstaande feiten