Stel je voor: we gaan terug naar het jaar 1732 in het dorpje Sint Odiliënberg. Hendrik Everts is de zoon van Jan (de burgemeester die ooit in de gevangenis belandde). Hendrik is inmiddels zelf volwassen. Hij is niet alleen een boer, maar hij heeft ook een eigen herberg! Dat was in die tijd een soort dorpscafé waar reizigers ook konden slapen.
Sint Odiliënberg was maar een klein dorp en had helemaal geen groot, deftig gemeentehuis. Maar het dorp moest natuurlijk wel bestuurd worden door de burgemeester en de 'schepenen' (zo heetten de wethouders vroeger). Waar moesten die belangrijke mannen dan vergaderen? Gewoon, bij Hendrik in de herberg! Gezellig aan een grote houten tafel, met wat te eten en te drinken erbij. Hendrik was trouwens zélf ook één van die belangrijke schepenen.

Maar het werk van een bestuurder bestond in 1732 niet alleen uit binnen zitten en kletsen. Je moest ook echt op pad! Op 16 juni 1732 ging Hendrik er samen met zijn collega's op uit, helemaal naar de uitgestrekte heide. Er bestonden toen nog geen goede landkaarten of navigatie-apps op een telefoon. Ze moesten met hun eigen ogen de grenzen van het dorp controleren, zodat er geen ruzie met de buurdorpen zou ontstaan. Onderweg kwamen ze een man tegen met een zware bos hout op zijn rug en zagen ze een briefdrager lopen. Hendrik gaf ze allebei een muntje (een schelling) om ze te betalen voor hun werk.
Toen het zware inspectiewerk op de heide erop zat, was het tijd voor ontspanning. De bestuurders liepen naar de plaatselijke schutterij. Ze gingen met de andere mannen uit het dorp 'schijfschieten'. Omdat het een warme dag was en ze zo'n dorst hadden gekregen van het wandelen, dronken de schepenen en de schutters met z'n allen een hele ton bier leeg! Dat kostte toen 14 schellingen.
We weten dit allemaal nog zo ontzettend precies, omdat Hendrik zélf het bonnetje voor de gemeente heeft geschreven. Mensen gingen vroeger niet zo lang naar school als nu. Hendrik schreef de woorden daarom precies op zoals hij ze uitsprak. Zo schreef hij het moeilijke woord voor grenzen (limieten) op als 'lamiti'. En hij schreef over een 'brijf' (brief) en de 'ton bjer' (bier). Die oude briefjes worden nu nog steeds bewaard in een grote kluis in het archief!

Maar Hendrik dacht niet alleen aan feestvieren, hij werkte ook heel hard voor de mensen in zijn dorp. In de koude wintermaanden van datzelfde jaar reisde hij, samen met zijn collega, wel zes keer helemaal naar de grote stad Roermond. Daar gingen ze praten met de hoge baas van de belastingen (de rentmeester) om te vragen of de belastingen voor de arme dorpelingen omlaag mochten.
Hendrik Everts was dus een ontzettend drukke man: hij schonk bier in zijn herberg, controleerde de grenzen op de heide én kwam op voor zijn dorpsgenoten!